De verplichtingen van analoge tussenpersonen: annotatie bij HvJEU 7 juli 2016, zaak C-494/15 (Tommy Hilfiger c.s. / Delta Center)

Oorspronkelijk gepubliceerd in AMI 2016/4 [PDF].

De “tussenpersoon wiens diensten door derden worden gebruikt om inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht te maken”, jegens wie de rechthebbende op grond van artikel 11, derde zin van de IE Handhavingsrichtlijn, een rechterlijk verbod moet kunnen krijgen, omvat niet alleen de beheerder van een elektrische marktplaats als aan de orde het arrest L’Oréal/eBay uit 2011,[1] maar ook de beheerder van een ouderwetse, fysieke markthal. Aan de huurder van zo’n marktplaats, die aan afzonderlijke marktkramers verkoopstands en standplaatsen voor marktkramen verhuurt, kunnen dus anti-piraterijmaatregelen worden opgelegd als in die bepaling voorzien, onder dezelfde voorwaarden als die het Hof in dat arrest heeft geformuleerd met betrekking tot de beheerder van een elektronische marktplaats.

Uit deze korte weergave van de kern van dit arrest blijkt dat het in dit arrest vooral gaat om twee vraagstukken: de reikwijdte van het begrip “tussenpersoon”, en de modaliteiten van de verplichtingen die aan zo’n tussenpersoon kunnen worden opgelegd. Op beide punten geeft het Hof ogenschijnlijk voor de hand liggende antwoorden, waarbij niettemin vraagtekens kunnen worden geplaatst. Daarbij is mogelijk van belang dat de eis in deze zaak is ingesteld op grond van merkinbreuk, en dat niet vaststaat dat de uitkomst in de context van auteursrechthandhaving dezelfde zou zijn.

Analoge tussenpersonen?

Artikel 11, derde zin, van de IE Handhavingsrichtlijn verplicht lidstaten om ervoor zorg te dragen dat “de rechthebbenden om een rechterlijk bevel kunnen verzoeken tegen tussenpersonen wier diensten door derden worden gebruikt om inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht te maken, onverminderd artikel 8, lid 3, van Richtlijn 2001/29/EG.” Gezien de techniekonafhankelijke formulering, de doelstelling van ruime bescherming (overweging 10 van de considerans) en de ruime definitie die het Hof al gaf aan het begrip “tussenpersoon” in eerdere arresten als LSG/Tele2 en UPC Telekabel Wien,[2] is het niet verrassend dat het Hof nu oordeelt dat ook de exploitant van een “offline” marktplaats onder de reikwijdte van de bepaling valt. De verhuur van marktkraampjes is immers een dienst, en die gehuurde marktkraampjes kunnen worden gebruikt om inbreukmakende merkartikelen te verkopen.

De Hongaarse appèlrechter had nog geoordeeld dat een ruime interpretatie van de woorden “diensten door derden […] gebruikt om inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht te maken” zou leiden tot absurde situaties waarbij, bijvoorbeeld, de levering van elektriciteit of de verlening van een bedrijfsvergunning aan een marktkramer zou worden beschouwd als een middel om inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten te maken. Het Hof vindt het niet nodig daarop in te gaan, en laat daarmee in het midden waar de eventuele grens ligt. Dat roept de vraag op of anti-piraterijverplichtingen ook kunnen worden opgelegd aan leveranciers van stroom, opslag- en transportdiensten, betaaldiensten, huurauto’s etc. Dat is een vraag van uitleg van artikel 11, derde zin, maar raakt ook aan beginselen als rechtszekerheid en proportionaliteit.

Bij de Nederlandse implementatie van de IE Handhavingsrichtlijn is zonder verdere discussie aangenomen dat “tussenpersoon” een synoniem is voor “internetprovider”.[3] In de lagere rechtspraak is weliswaar enkele keren een ruimere uitleg gehanteerd van het begrip tussenpersoon als geïmplementeerd in artikel 2.22 lid 3 BVIE, maar weinig onderbouwd of principieel want in een overweging ten overvloede respectievelijk een ex parte beschikking.[4] In de Europese context is de ruime interpretatie echter al langer gangbaar, bijvoorbeeld het verslag van de Europese Commissie over de toepassing van de richtlijn uit 2010.[5] In het arrest Coty Germany had het Hof al vastgesteld dat een bankinstelling kan gelden als een “persoon die op commerciële schaal diensten die bij inbreukmakende handelingen worden gebruikt, blijkt te verlenen” die is onderworpen aan de informatieplicht van artikel 8 lid 1 sub c van de Handhavingsrichtlijn.[6]

Voorstanders van een ruime interpretatie van het begrip “tussenpersoon”, zoals de vooraanstaande Engelse IE-rechter Richard Arnold,[7] wijzen erop dat het begrip in de IE Handhavingsrichtlijn noch in de Auteursrechtrichtlijn wordt gedefinieerd en dus ook niet expliciet wordt beperkt tot internettussenpersonen; op het feit dat de verwijzing naar tussenpersonen in overweging 59 van de Auteursrechtrichtlijn wordt voorafgegaan door de woorden “in het bijzonder in de digitale omgeving”, waaruit wellicht kan worden opgemaakt dat ook buiten de digitale omgeving tussenpersonen bestaan aan wie op grond van artikel 8 lid 3 van die richtlijn (vergelijk artikel 26d Auteurswet) een verbod kan worden opgelegd; en op het ontbreken in artikel 8 lid 3 van enige verwijzing naar – of beperking tot – de digitale context, of het dragen van een inbreuk op een netwerk.[8]

Tegen deze ruime interpretatie pleit in de eerste plaats dat het in overweging 59 van de Auteursrechtrichtlijn gaat over “een verbod ten aanzien van een tussenpersoon die een door een derde gepleegde inbreuk met betrekking tot een beschermd werk of ander materiaal in een netwerk steunt.” Andere taalversies[9] en het arrest UPC Telekabel Wien[10] bevestigen dat het gaat om het via een netwerk dragen of doorgeven van de inbreuk. In de tweede plaats kunnen de woorden “in het bijzonder in de digitale omgeving” even goed worden begrepen op een manier die een tot internettussenpersonen beperkte interpretatie steunt, namelijk dat dit probleem, en de geschiktheid van deze oplossing, zich in het bijzonder daar voordoen. Ook de rest van de zin duidt op toekomstige technische ontwikkelingen: “In het bijzonder in de digitale omgeving, zullen derden voor inbreukmakende handelingen wellicht in toenemende mate gebruik maken van de diensten van tussenpersonen.” Er was in 2000 weinig aanleiding voor de verwachting dat inbreukmakers mogelijk in toenemende mate gebruik zouden maken van de diensten van tussenpersonen zoals fysieke marktkraamverhuurders. In de  derde plaats komt het begrip “tussenpersoon” ook voor in artikel 5 lid 1 sub a van de Auteursrechtrichtlijn, de verplichte exceptie voor tijdelijke doorgifte. Gezien de verwijzing naar netwerkdoorgifte, wordt het begrip daar wel degelijk gebruikt in een tot internettussenpersonen beperkte betekenis: “tijdelijke reproductiehandelingen, als bedoeld in artikel 2, die van voorbijgaande of incidentele aard zijn, en die een integraal en essentieel onderdeel vormen van een technisch procédé en die worden toegepast met als enig doel: a) de doorgifte in een netwerk tussen derden door een tussenpersoon […]”. Als hetzelfde begrip op twee plaatsen in dezelfde richtlijn wordt gebruikt, ligt het behoudens expliciete andersluidende indicatie voor de hand om aan te nemen dat het op beide plaatsen dezelfde betekenis heeft. Ten vierde geldt dat de tekst van artikel 8 lid 3 van de Auteursrechtrichtlijn niet op zich zelf staat, maar juist aan de hand van de considerans en overige inhoud van de richtlijn moet worden begrepen.

Kortom, hoewel de tekst van artikel 8 lid 3 van de Auteursrechtrichtlijn op zichzelf geen expliciete beperking tot internettussenpersonen bevat, lijkt die beperking wel duidelijk te volgen uit de considerans en structuur van de richtlijn.

Toegegeven kan worden dat in de IE Handhavingsrichtlijn geen verwijzing staat naar “doorgifte in een netwerk”, de considerans niet verwijst naar “de digitale omgeving”. Bovendien is, zoals het Hof in rov. 29 opmerkt, de werkingssfeer van de richtlijn niet beperkt tot elektronische handel. Het is dus zeker denkbaar dat het begrip “tussenpersoon” in de IE Handhavingsrichtlijn een ruimere, algemenere betekenis heeft dan in de Auteursrechtrichtlijn, zodanig dat het ook ‘analoge’ tussenpersonen omvat. Daarvoor pleit, zoals het Hof in rov. 29 ook opmerkt, het in overweging 10 van de richtlijn vermelde doel om een hoog niveau van bescherming van de intellectuele eigendom te waarborgen in de interne markt.

Een ruime uitleg is echter minder goed te rijmen met de eveneens in overweging 10 genoemde doelen van gelijkwaardige en homogene bescherming. Als een “tussenpersoon” in artikel 11, derde zin, van de IE Handhavingsrichtlijn ook een analoge tussenpersoon kan zijn, is het namelijk nog maar de vraag of dat ook geldt voor auteursrechten en naburige rechten. Uit overweging 23, die dient ter toelichting op artikel 11, derde zin, lijkt immers te volgen dat het hier gaat over inbreuken op industriële-eigendomsrechten, en dat bij de handhaving van auteursrechten en naburige rechten alleen artikel 8 lid 3 van de Auteursrechtrichtlijn geldt.[11] De tekst van artikel 11, derde zin, spreekt weliswaar weer in algemene zin van inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht, maar bepaalt ook dat deze regeling artikel 8 lid 3 van de Auteursrechtrichtlijn onverlet laat. Artikel 9 lid 1 sub a, laatste zin, maakt duidelijk wat dat betekent: “het bevel tegen een tussenpersoon wiens diensten door een derde worden gebruikt om inbreuk te maken op een auteursrecht of een naburig recht, wordt beheerst door Richtlijn 2001/29/EG.”[12]

Op basis van de tekst van artikel 11, derde zin, van de IE Handhavingsrichtlijn, en de in overweging 10 genoemde doelstelling ervan, is de ruime, teleologische interpretatie van het begrip “tussenpersoon” dus op zich goed verdedigbaar. Gezien het feit dat, zoals hiervoor toegelicht, datzelfde begrip in de Auteursrechtrichtlijn vermoedelijk een beperktere betekenis heeft, die de Handhavingsrichtlijn niet beoogt te wijzigen, had een bespreking van het verschil echter niet misstaan. Het Hof heeft immers de gewoonte om begrippen zoveel mogelijk eenvormig uit te leggen, ook tussen verschillende richtlijnen, ook als dat onhandige gevolgen heeft (zoals wanneer het mediarechtelijke begrip “publiek”, in de zin van een onbeperkt aantal potentiële kijkers, één op één wordt toegepast op het auteursrechtelijke begrip “mededeling aan het publiek”).[13] Het onderhavige arrest bevat echter geen enkele indicatie dat – en ook geen onderbouwing waarom – het begrip “tussenpersoon” in de IE Handhavingsrichtlijn een ruimere betekenis heeft dan in de Auteursrechtrichtlijn. Het Hof suggereert in overweging 22 eerder (“net zoals artikel 8, derde lid, van richtlijn 2001/29 waarnaar [artikel 11, derde zin] verwijst”) dat de betekenis gelijk is. Als dat zijn bedoeling is heeft het Hof in het kader van een merkenrechtelijke zaak over de IE Handhavingsrichtlijn en passant een vrij ingrijpende herinterpretatie van de Auteursrechtrichtlijn gegeven. Dat zou weliswaar zorgen voor een hoge, gelijkwaardige en homogene bescherming van IE-rechten, maar is moeilijk te verenigen met de tekst, structuur en considerans van de Auteursrechtrichtlijn.

Gezien het feit dat het gaat om een kort, spaarzaam gemotiveerd arrest, in een merkenrechtelijke context, over twee vragen die het Hof kennelijk betrekkelijk eenvoudig vond, is het wellicht verstandig niet al te snel bredere conclusies te trekken. Vooralsnog blijft onduidelijk of we onder verwijzing naar overweging 23 van de Handhavingsrichtlijn moeten aannemen dat bij de handhaving van auteursrechten en naburige rechten alleen artikel 8 lid 3 van de Auteursrechtrichtlijn geldt, en artikelen 26d Aw en 15e WNR alleen tegen internettussenpersonen kunnen worden ingezet; of dat de ruimere interpretatie van het begrip “tussenpersoon” voortaan ook geldt voor de handhaving van auteursrecht en naburige rechten.

Verplichtingen die aan tussenpersonen kunnen worden opgelegd

Nu is vastgesteld dat beheerder van een fysieke markthal een tussenpersoon is in de zin van artikel 11, derde zin, van de IE Handhavingsrichtlijn, rijst de vraag wat voor rechterlijk bevel aan hem kan worden opgelegd, onder welke omstandigheden en met welke waarborgen. In antwoord op de tweede prejudiciële vraag antwoordt het Hof dat daarvoor dezelfde voorwaarden gelden als blijkens het arrest L’Oréal/eBay gelden voor elektronische marktplaatsen. Het Hof onderbouwt dat in rov. 36 met de overweging dat het in dat eerdere arrest weliswaar ging om een elektronische marktplaats, maar dat dat niet doorslaggevend was voor het antwoord omdat het Hof zich heeft gebaseerd op artikel 3. Die bepaling verplicht lidstaten in algemene zin om eerlijke en billijke maatregelen, procedures en rechtsmiddelen vast te stellen ter handhaving van IE-rechten, die niet onnodig ingewikkeld of kostbaar zijn; die doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn; en die geen belemmeringen voor legitiem handelsverkeer scheppen.

Vervolgens vat het Hof kort samen wat het in L’Oréal/eBay heeft overwogen: dat de modaliteiten van de verplichtingen die op grond van artikel 11, derde zin, kunnen worden opgelegd, weliswaar van nationaal recht zijn, maar niettemin zo moeten worden ingericht dat de doelen van richtlijn 2004/48 kunnen worden verwezenlijkt, zodat de bevelen doeltreffend en afschrikkend moeten zijn. Tegelijkertijd moeten zij billijk en evenredig zijn, wat betekent dat zij niet overdreven kostbaar mogen zijn, en evenmin belemmeringen voor het legitieme handelsverkeer mogen scheppen. Sterker nog, een bevel moet een “passend evenwicht” garanderen tussen de bescherming van de intellectuele eigendom en het ontbreken van belemmeringen voor het legitieme handelsverkeer. Van de tussenpersoon kan evenmin worden verwacht dat hij een algemene en permanente surveillanceplicht uitoefent ten aanzien van zijn klanten. De tussenpersoon kan echter wel worden gelast om maatregelen te treffen die ertoe bijdragen te voorkomen dat nieuwe inbreuken van dezelfde aard door dezelfde marktkramer worden gemaakt.

Anders dan de redenering van het Hof doet vermoeden, is de beslissing in L’Oréal/eBay niet alleen gebaseerd op artikel 3 van de Handhavingsrichtlijn, maar heeft het daarbij wel degelijk ook de Richtlijn elektronische handel betrokken. Zo rechtvaardigt het Hof in rovv. 132-133 van dat arrest zijn ruime uitleg van artikel 11, derde zin, onder meer door verwijzing naar artikel 18 van de E-commerce richtlijn, dat van de lidstaten vereist dat zij ervoor zorgen dat hun nationale wetgeving op het gebied van diensten van de informatiemaatschappij voorziet in rechtsgedingen waarbij maatregelen kunnen worden getroffen ‘om de vermeende inbreuk te doen eindigen en om te verhinderen dat de betrokken belangen verder worden geschaad’. Die rechtvaardiging gaat uiteraard niet op voor tussenpersonen die niet onder de E-commerce richtlijn vallen.

Dat geldt ook voor rov. 142 van L’Oréal/eBay, waar het Hof overweegt dat de elektronische-marktplaatsaanbieder kan worden verplicht om maatregelen te treffen om de identiteit van zijn klanten-verkopers eenvoudiger te kunnen vaststellen. Dit oordeel baseert het Hof rechtstreeks op de uit artikel 6 van de E-commercerichtlijn volgende informatieplicht voor aanbieders van diensten van de informatiemaatschappij, die uiteraard niet (rechtstreeks) van toepassing is op aanbieders van andere diensten zoals verhuur van fysieke marktkramen. Wellicht is veelzeggend dat het Hof in het onderhavige arrest de meeste regels uit L’Oréal/eBay herhaalt, maar niet de overweging over maatregelen om de identiteit van klanten eenvoudiger vast te stellen. Het moet dus nog blijken wat rechthebbenden op dit punt mogen verlangen van analoge tussenpersonen.

Tot slot kan in dit verband worden gewezen op het in rov. 139 bedoelde verbod op preventieve surveillance, dat weliswaar het meest concreet volgt uit artikel 15 van de E-Commercerichtlijn, maar volgens het Hof ook volgt uit de door artikel 3 van de IE Handhavingsrichtlijn gestelde eis dat opgelegde maatregelen billijk, evenredig en niet overdreven kostbaar moeten zijn. Op dit punt is de redenering dus wel sluitend. Daar valt veel voor te zeggen, al raakt zodoende enigszins uit beeld dat het verbod op preventieve surveillance niet alleen een kwestie is van redelijkheid en evenredigheid, maar ook van bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

Net als ten aanzien van het begrip “tussenpersoon” geldt ook bij de voorwaarden en modaliteiten van de op te leggen verplichtingen dat er vermoedelijk een verschil bestaat al naar gelang het gaat om de handhaving van industriële-eigendomsrechten of auteurs- en naburige rechten. Artikel 11, derde zin, van de IE Handhavingsrichtlijn spreekt immers in algemene termen van het verkrijgen van een rechterlijk bevel, terwijl het in artikel 8 lid 3 van de Auteursrechtrichtlijn slechts gaat om een rechterlijk verbod. Artikel 8 lid 3 is in artikel 26d Auteurswet en artikel 15e WNR geïmplementeerd als mogelijkheid om de tussenpersoon te “bevelen de diensten die worden gebruikt om die inbreuk te maken, te staken.” Blijkens het arrest UPC Telekabel Wien gaat het bij het vaststellen van de voorwaarden en modaliteiten van een verbodsbevel in de auteursrechtcontext om het verzekeren van een juist evenwicht tussen verschillende grondrechten, terwijl het blijkens L’Oréal/eBay en dit arrest in de merkenrechtcontext eerder gaat om een juist evenwicht tussen de bescherming van de intellectuele eigendom en het ontbreken van belemmeringen voor het legitieme handelsverkeer. Vooralsnog blijft onduidelijk of dit verschil gevolgen zou hebben voor de toewijsbaarheid, in de auteursrechtcontext, van de verplichtingen waar het in deze zaak om ging (zie rov. 13), zoals de verplichting om huurders op straffe van opzegging te verbieden inbreuk te maken op de IE-rechten van Tommy Hilfiger cs. Op basis van de tekst en considerans van de respectievelijke richtlijnen ligt het voor de hand om aan te nemen dat in de auteursrechtcontext alleen een verplichting kan worden opgelegd om de levering van voor inbreuk gebruikte diensten te staken, terwijl in industriële-eigendomszaken ruimere bevelen kunnen worden opgelegd. Het is echter de vraag of het Hof een dergelijk verschil in de praktijk zal laten voortbestaan.

Afsluiting

Zowel bij de definitie van het begrip “tussenpersoon” als bij de bepaling van de regels die van toepassing zijn op bevelen aan tussenpersonen geldt dat de beslissing van het Hof niet onverwacht of onbegrijpelijk is, maar niettemin meer rekenschap had kunnen geven van de redenen waarom de regels voor fysieke tussenpersonen, zoals marktkraamverhuurder Delta, misschien toch zouden kunnen afwijken van die voor internettussenpersonen zoals eBay. Ondertussen ligt het voor de hand dat rechthebbenden bij piraterijbestrijding in toenemende mate een beroep zullen doen op reguliere, te goeder trouw opererende vervoerders, financiële dienstverleners  en andere distributieschakels. Een wettelijke regeling die duidelijke normen, grenzen en waarborgen stelt, ontbreekt vooralsnog. Het ligt dus voor de hand dat rondom de medewerkingsplichten van analoge tussenpersonen technische, juridische en financiële vragen zullen rijzen die sterk doen denken aan de regelmatige geschillen rondom IE-handhaving op internet.

Voor lezers van dit blad is van belang dat het onderhavige arrest is gewezen in de context van handhaving van merkenrecht, en dat onzeker is of het Hof in een auteursrechtzaak dezelfde antwoorden zou gegeven. De Auteursrechtrichtlijn kent immers een bijzondere regeling voor het opleggen van een verbod aan tussenpersonen wier diensten worden gebruikt om inbreuk te plegen, die beperkt lijkt te zijn tot een aan internettussenpersonen gericht bevel om de levering van bepaalde diensten te staken. De toekomst moet leren of het Hof verschillen in handhavingsbevoegdheden in intellectuele- en industriële-eigendomszaken zal laten voortbestaan.

Voetnoten

[1] HvJEU 12 juli 2011, zaak C-324/09 (L’Oréal c.s. / eBay), NJ 2012, 525 m.nt. J.H. Spoor.

[2]  HvJ EU 19 februari 2009, zaak C-557/07 (LSG/Tele2); HvJEU 27 maart 2014, zaak C-314/12 (UPC Telekabel Wien/Constantin Film Verleih en Wega Filmproduktionsgesellschaf). Zie verder: R.D. Chavannes, ‘‘Juist evenwicht’ in de praktijk. De toelaatbaarheid van internetblokkades volgens het Hof van Justitie in UPC Telekabel Wien’, AMI 2015/2, p. 39.

[3] Zie bijv. de Nota naar aanleiding van het verslag, Kamerstukken II 2005/2006, 30392, nr. 6, pp. 2, 3, 6, 11.

[4] Vzr. Breda 9 oktober 2012, IEF 11777, rov. 4.4; Vzr. Rb. Den Haag 15 oktober 2012, IEF 11881 , paragraaf 17. Zie ook Vz. Rb. van Koophandel Brussel 26 september 2012, IEF 11913 (Red Bull GmbH / NV Konings), rov. 14-19, onder verwijzing naar de conclusie van A-G Kokott in zaak C-119/10 (Frisdranken), §§ 36-40 & 44.

[5] Verslag van de Commissie aan het Europese Parlement, de Raad, het Europees Economische en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s over de toepassing van de  Richtlijn 2004/48/EG, 22 oktober 2010, SEC(2010) 1589, §  3.3.

[6] HvJEU 16 juli 2015, zaak C-580/13, EHRC 2015, 188 m.nt. B. van der Sloot (Coty Germany / Stadtsparkasse Magdeburg).

[7] Zie bijvoorbeeld de presentatie van Richard Arnold over dit onderwerp op een congres in Southampton op 17 september 2015, integraal terug te kijken via https://www.youtube.com/watch?v=tpeUyOzI_iw en verkort weergegeven op http://ipkitten.blogspot.nl/2015/09/who-is-intermediary-for-sake-of-article.html.

[8] Artikel 8 lid 3 van de Auteursrechtrichtlijn bepaalt: “De lidstaten zorgen ervoor dat de rechthebbendenkunnen verzoeken om een verbod ten aanzien van tussenpersonen wier diensten door een derde worden gebruikt om inbreuk te maken op een auteursrecht of naburige rechten.”

[9] Vergelijk “un intermédiaire qui transmet dans un réseau une contrefaçon “; “ein Vermittler […]der die Rechtsverletzung eines Dritten in Bezug auf ein geschütztes Werk oder einen anderen Schutzgegenstand in einem Netz überträgt”; “an intermediary who carries a third party’s infringement of a protected work or other subject-matter in a network”.

[10] HvJEU 27 maart 2014, zaak C-314/12 (UPC Telekabel Wien), reeds aangehaald, rov. 30.

[11] “Met betrekking tot inbreuken op auteursrechten en naburige rechten is al een grote mate van harmonisatie bewerkstelligd door Richtlijn 2001/29/EG. Aan artikel 8, lid 3, van die richtlijn dient dan ook door deze richtlijn geen afbreuk te worden gedaan.” In de Engelse versie wordt gesproken van “a comprehensive level of harmonisation […] Article 8(3) of Directive 2001/29/EC should therefore not be affected by this Directive.” In de Franse versie: “la présente directive n’affecte pas l’article 8, paragraphe 3, de la directive 2001/29/CE.”

[12] Dat verklaart vermoedelijk ook waarom het Hof de vragen in de zaak UPC Telekabel Wien, over de oplegging van een webblokkade-verplichting aan een access provider, kon beslissen op basis van de Auteursrechtrichtlijn en het Handvest van grondrechten, zonder enige verwijzing naar de IE Handhavingsrichtlijn.

[13] Zie HvJ EG 7 december 2006, C 306/05, AMI 2007/2, nr. 7 m.nt. K.J. Koelman en Mediaforum 2007-2, nr. 5 m.nt. D.J.G. Visser (SGAE/Rafael Hoteles). Zie over de daarop volgende pogingen van het Hof om de schade te beperken o.a. D.J.G. Visser, ‘Openbaar maken met ketchup’, AMI 2013/2, p. 43.

Leave a Reply