Media, internet & recht

Onderzoeksjournalist Brenno de Winter twitterde op 8 september opgelucht dat het openbaar ministerie had besloten hem niet te vervolgen voor fraude met OV-chipkaarten. Begin dit jaar had hij in diverse media gedemonstreerd hoe makkelijk het was om gratis te reizen met een gehackte OV-chipkaart. In de afdoeningsbeslissing motiveert de officier van justitie dat De Winter als journalist heeft bericht over een onderwerp van algemeen belang, daarbij te goeder trouw heeft gehandeld en op grond van een accurate feitelijke basis betrouwbare en precieze informatie heeft verschaft.

Undercoverjournalist Alberto Stegeman oogstte in april ook al begrip bij het Hof Amsterdam voor zijn undercoveractie op Schiphol-Oost, waarbij hij met een vervalste toegangspas het regeringsvliegtuig wist te betreden. Het Hof past dezelfde criteria toe en concludeert dat Stegeman “heeft aangetoond dat hij een zorgvuldige afweging heeft gemaakt tussen het maatschappelijk belang van het zichtbaar maken van de slechte beveiligingssituatie op Schiphol-Oost en het daartoe plegen van strafbare feiten.”

Publieke omroep BNN werd op 20 september wel veroordeeld, voor het afluisteren van Albert Verlinde met verborgen afluisterapparatuur in een voor dat doel aan hem uitgereikte “Gouden Oor” trofee. De veroordeling was niet het gevolg van een strengere rechterlijke toets maar van het hoge stunt-gehalte van de actie van BNN. De misstand waarvoor zij aandacht vroeg – privacyschending in de roddeljournalistiek in het algemeen en door Verlinde in het bijzonder – werd niet ontdekt of bewezen door hem zelf af te luisteren. De omroep wilde Verlinde een koekje van eigen deeg geven en kijken hoe hij daarop reageerde.

Het EHRM stelt voorop dat journalisten geen aan artikel 10 EVRM ontleend recht hebben om de strafwet te schenden, maar houdt voor mogelijk dat strafbare nieuwsgaring in uitzonderlijke gevallen kan worden gerechtvaardigd als zij in functie staat van een reportage met een zwaarwegend maatschappelijk belang, noodzakelijk is om de misstand journalistiek hard te maken en geen onevenredig gevaar of schade veroorzaak (zie deze annotatie van Voorhoof en Wiersma bij het arrest-Mikkelsen).

De zaken van De Winter en Stegeman roepen de vraag op hoe de noodzaak van de wetsschending moet worden opgevat: noodzakelijk om de misstand te ontdekken, om deze journalistiek hard te maken of om deze op een telegenieke manier in beeld te brengen? In de beschikking in de zaak-De Winter hecht de officier van justitie waarde aan De Winter’s betoog dat hij de hackbaarheid van de OV-chipkaart al eerder aan de orde had gesteld, maar dat het onderwerp pas ging leven (“o.a. een spoeddebat in de Tweede Kamer”) toen hij voor de camera demonstreerde dat gewone mensen dat met eenvoudig beschikbare middelen konden doen. Een reportage die interviews met deskundigen en met “Ken Burns effect” in beeld gebrachte documenten heeft nu eenmaal minder impact dan dynamische beelden van de journalist in flagrante delictu.

De journalisten die in het verleden door te vervalsen lekken aantoonden in het aanvraagsysteem voor rijbewijzen en de verwerking van incasso-opdrachten vonden bij de strafrechter geen genade. De journalisten die anno 2011 de lekken aantonen in de beveiliging van het regeringstoestel en het volkstransport gaan echter vrijuit. De Winter en Stegeman hebben ongetwijfeld van hun voorgangers geleerd en zich ingespannen om proportioneel te werk te gaan, maar als je de vier uitspraken vergelijkt is de noodzakelijkheidsdrempel voor wetsschending in het algemeen belang onmiskenbaar lager geworden.

De ruimte die de journalist heeft om, onder de genoemde voorwaarden, de strafwet te schenden maakt de domeinvraag nijpender: wie is journalist? De Hoge Raad heeft in 2008 bewust geweigerd dat begrip scherp af te bakenen, omdat door de opkomst van het internet ook particulieren zich in het algemeen belang tot een breed publiek kunnen richten. De verwijzing die het EHRM steevast maakt naar handelen volgens de journalistieke beroepsethiek ontbreekt bij de Hoge Raad, evenals de vereisten van regelmatig of beroepsmatig werken zoals we die kennen van de Raad van Europa en de Raad voor de Journalistiek.

Nu de Hoge Raad het door een particulier openbaar maken van informatie in het algemeen belang op een lijn stelt (in de woorden van Dommering: verwart) met het beroepsmatig handelen van een journalist, lijkt het erop dat iedere blogger de strafwet mag schenden als dat noodzakelijk en proportioneel is om een misstand op effectieve wijze aan de kaak te stellen en er niemand in gevaar wordt gebracht. Daar kan je principieel voor of tegen zijn, maar voorlopig creëert het wel een risico op overenthousiaste vigilante-journalistiek door amateurwaakhonden.

Dat journalistieke eenpitters meer controle vanuit een beroepsorganisatie nodig hebben dan vakmensen die dagelijks worden gedisciplineerd door de mores van de redactie lijkt voor de hand te liggen. Tegelijkertijd toont het afluisterschandaal bij News International aan dat een gecorrumpeerde redactie-ethiek individuele journalisten kan verleiden tot daden die zij als zolderkamerblogger niet zouden kunnen bedenken (of financieren). Verschillende Britse politici én journalisten pleiten inmiddels voor toezicht met tanden, inclusief schrapping van het tableau voor veelplegers, of voor een wortel- en stokbenadering waarbij officiële ‘register’-journalisten een verdergaande ‘public interest defence’ krijgen tegen smaadclaims.

Oorspronkelijk verschenen in Mediaforum 2011-10.
category: Opinie
tags:

Door de aanhoudende wegwerkzaamheden was het Hilversumse Mediapark in 2008 voor onbekenden vrijwel onmogelijk te bereiken. En wie vanuit het Mediapark terug naar de buitenwereld wilde, merkte al snel dat dat eigenlijk niet de bedoeling is. Als het aan minister Plasterk ligt, wordt deze situatie gecodificeerd.

Oorspronkelijk gepubliceerd in Mediaforum 2009-1. read more »

category: Opinie
tags:

Hieronder volgt de volledige rekening en verantwoording van de regering over de toepassing in 2007 van de meest ingrijpende inbreuk op het communicatiegeheim die de wet toestaat:1

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 27 mei 2008

Bij brief van 13 november 2007 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007-2008, 30517, nr. 5) heb ik u toegezegd de tapstatistieken, als weergegeven in voornoemde brief, over de tweede helft van 2007 te doen toekomen. Met deze brief wil ik daar graag aan voldoen.

De Unit Landelijke Interceptie van het Korps Landelijke Politie Diensten verzorgt de interceptie voor alle politiekorpsen, de Bijzondere Opsporingsdiensten en de Koninklijke Marechaussee en fungeert sinds medio 2007 als enig aanspreekpunt voor interceptie van telecommunicatie ten behoeve van de opsporing.
In de tweede helft van 2007 is op 12491 telefoonnummers een bevel tot aftappen gegeven door het Openbaar Ministerie. Hiervan betrof het in 84% een tap op een mobiele telefoon en in 16% een tap op een vaste telefoon. In de betreffende periode liepen er dagelijks gemiddeld 1681 taps.
De opvolgende jaarcijfers zullen worden opgenomen in de begrotingscyclus en langs die weg aan U worden kenbaar gemaakt.

De Minister van Justitie,
E. M. H. Hirsch Ballin

Op grond van deze korte brief kunnen wij twee constateringen doen: de Nederlandse overheid tapt bijzonder veel en doet bijzonder weinig moeite om nut en noodzaak van de toepassing van dat opsporingsmiddel te onderbouwen. Of de eerste constatering een reden tot zorg is kunnen wij niet weten – en daarom is de tweede constatering juist zo ernstig. read more »

  1. Kamerstukken II 2007-2008, 30517, nr. 6.
Get Adobe Flash playerPlugin by wpburn.com wordpress themes