Hoge Raad (Strafkamer) 27 juni 1995, zaaknummer 99545

 

Arrest op het beroep in cassatie van P.M.H., te Rijswijk, adv. mr. E.J. Dommering te 's‑Gravenhage.

 

Hof:

De raadsman heeft betoogd dat de verdachte ontslagen dient te worden van rechtsvervolging.

Daartoe heeft hij het volgende aangevoerd.

Door de aanvaarding in de praktijk van het rijbewijs als identiteitsbewijs, welke ontwikkeling nog versterkt is door recente wetgeving, zoals de Wet Aanwijzing van documenten dienende ter vaststelling van de identiteit van personen (Wet van 9 maart 1994 Stb. 1994, 190), is het rijbewijs niet langer slechts een bewijs van rijvaardigheid doch heeft dit een meer algemene en belangrijke functie verkregen, welke functie nog meer dan voorheen het geval was meebrengt dat de afgifte van het rijbewijs met redelijke waarborgen is omgeven. De overheid heeft dan ook de verplichting om, alvorens het rijbewijs af te geven, de identiteit van de aanvrager zorgvuldig te onderzoeken.

De verdachte, als journalist werkzaam bij een landelijk dagblad, heeft de onderhavige feiten begaan om de misstand aan het licht te brengen dat het mogelijk was een nieuw rijbewijs te verkrijgen zonder dat er enig althans enig behoorlijk onderzoek werd gedaan naar de identiteit van de aanvrager. De Minister van Verkeer en Waterstaat had dit op kamervragen, gesteld naar aanleiding van eerdere daarop wijzende perspublicaties, ontkend.

Door zelf een valse identiteitsopgave bij de aanvrage van een rijbewijs te doen wilde hij proefondervindelijk aantonen dat de overheid in de praktijk de identiteit van de aanvrager onvoldoende controleerde en aldus op onjuiste en onvoldoende gecontroleerde persoonsgegevens een rijbewijs verstrekte, zodat hij door publicatie van die ervaring dit falen van de overheid aan de kaak kon stellen. Alleen op deze wijze zou, zo bleek bij een zorgvuldige afweging binnen de redactie, effectief en ondubbelzinnig bewijs tegenover een ontkennende overheid van genoemde misstand kunnen worden verkregen. Door dit onderzoek en deze publicatie vervulde de verdachte een taak die de pers heeft in een democratische samenleving. Het middel is alleen gebruikt voor het beoogde doel; de verkregen rijbewijzen zijn niet als vals gebruikt doch teruggegeven aan de overheid, zodat geen schade is ontstaan.

Onder deze omstandigheden:

a.      ontbreekt de materiële wederrechtelijkheid aan het handelen van de verdachte;

b.      b. kan althans gesproken worden van een noodtoestand in de zin van artikel 40 van het Wetboek van Strafrecht;

c.       is het handelen van de verdachte gerechtvaardigd nu hij krachtens zijn beroepsrecht als journalist handelde.

 

Naar het oordeel van het hof is hetgeen de raadsman aanvoert niet van dien aard dat de wederrechtelijkheid van het handelen van de verdachte daardoor wordt weggenomen. Van ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid is hier geen sprake, nu verdachte juist beoogde hetgeen artikel 10 lid 1 van de Wegenverkeerswet wil tegengaan, namelijk dat hem op valse naam een rijbewijs zou worden verstrekt. Het journalistiek verlangen om gebreken in de uitvoeringspraktijk bij de verstrekking van rijbewijzen te openbaren en ministeriële ontkenningen te logenstraffen vermag hier de eis dat deze wetsregel gerespecteerd wordt, niet opzij te zetten. Bij de uitvoering van haar belangrijke taak in onze democratische samenleving om het publiek in te lichten omtrent misstanden bij de uitvoering van overheidstaken dient de pers, ook indien zij anders niet of slechts moeizaam de door haar begeerde informatie kan verkrijgen, de door de strafwet getrokken grenzen in acht te nemen. Het hof voegt daar nog aan toe dat het niet aannemelijk is geworden dat zonder schending van dit wetsartikel niet voldoende gegevens waaruit de gebrekkige identiteitscontrole bij de afgifte van rijbewijzen zou blijken verkregen konden worden.

 

Bewezenverklaard dat:

1.         hij te Zoetermeer, op 07 augustus 1992, opzettelijk onjuiste opgave heeft gedaan in de schriftelijke aanvrage tot het verkrijgen van een rijbewijs, immers heeft hij, verdachte, toen en daar op een aanvraagformulier ter verkrijging van een Nederlands rijbewijs opzettelijk onjuist en in strijd met de waarheid ingevuld dat hij, verdachte, was genaamd Joseph Maria Hubert Gerards, geboren te Heerlen op 25 februari 1951 en wonende te Zoetermeer, Van Schendelhove 8 en vervolgens op dat formulier een handtekening heeft geplaatst, welke moest doorgaan voor die van die J.M.H. Gerards;

2.         hij te 's Gravenhage, op 03 augustus 1992, opzettelijk onjuiste opgave heeft gedaan in de schriftelijke aanvrage tot het verkrijgen van een rijbewijs, immers heeft hij, verdachte, toen en daar op een aanvraagformulier ter verkrijging van een Nederlands rijbewijs opzettelijk onjuist en in strijd met de waarheid ingevuld dat hij, verdachte, was genaamd Willem Vergeer, geboren te 's Gravenhage op 22 augustus 1948 en wonende te 's Gravenhage, Saffierhorst 59 en vervolgens op dat formulier een handtekening heeft geplaatst, welke moest doorgaan voor die van die W. Vergeer.

 

Het Hof heeft — met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te 's‑Gravenhage van 3 december 1993 — de verdachte ter zake van 1. en 2. ‘handelen in strijd met artikel 10, eerste lid, van de Wegenverkeerswet, meermalen gepleegd’ strafbaar verklaard doch bepaald dat geen straf zal worden toegepast.

 

Cassatiemiddel:

Het Hof heeft in zijn arrest van 19 juli 1994 het recht geschonden en/of vormen verzuimd die op straffe van nietigheid moeten worden nageleefd door te overwegen en recht te doen als in dit arrest is weergegeven, om de navolgende, zonodig ambtshalve aan te vullen, en in onderling verband te nemen, redenen.

1

Het Hof heeft bewezen verklaard dat H. in strijd heeft gehandeld met artikel 10 eerste lid van de Wegen Verkeers Wet, luidende dat het is verboden opzettelijk een onjuiste opgave te doen in de schriftelijke aanvragen tot of bij het verkrijgen van een rijbewijs. Het Hof heeft dit feit strafbaar geacht. H. heeft het uitdrukkelijke verweer gevoerd dat het feit niet strafbaar was wegens het ontbreken van wederrechtelijkheid, althans door het bestaan van een overmachtssituatie in de zin van artikel 40 Sr, althans door het bestaan van een rechtvaardigingsgrond gelegen in zijn taak als journalist.

Het Hof heeft dit verweer verworpen, onder meer omdat het niet aannemelijk is geworden dat zonder schending van dit wetsartikel niet voldoende gegevens waaruit de gebrekkige identiteitscontrole bij de afgifte van rijbewijzen zou blijken, verkregen kunnen worden. Aldus heeft het Hof het verweer van H., niet volgens een juiste maatstaf beoordeeld, althans zijn arrest niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Aan de orde was immers niet, althans niet alleen, of het gebrek aan controle wel voldoende uit gegevens was gebleken, maar ook en vooral of feiten en omstandigheden konden worden gepubliceerd van zodanige aard dat de verantwoordelijke overheden het gebrek aan controle niet langer konden ontkennen, en zich genoopt zouden zien maatregelen ter verbetering van de controle te nemen. Daartoe had H. aangevoerd de, niet door het OM weerlegde omstandigheden c.q. door het Hof onjuist bevonden omstandigheden (zodat van de juistheid daarna in cassatie kan worden uitgegaan):

 

—        Op 2 april 1992 had Mr R. de Winter voor het gebrek aan controle bij de uitgifte van rijbewijzen aandacht gevraagd in het Nederlands Juristenblad. Dit punt werd door het Algemeen Dagblad (AD) op 8 april 1992 opgepakt. Op 14 april 1992 stelt het kamerlid Schutte een kamervraag over de materie maar deze leidt niet tot enige actie van de zijde van de minister van V&W (pleitnota Mr E.J. Dommering d.d. 18 november 1993 par. 2).

—        Binnen de AD redactie is overwogen hoe zou kunnen worden aangetoond dat de respons van de overheid onvoldoende was. Na afweging van de alternatieven kwam men tot de conclusie dat de gebruikelijke anonieme consumententest (de anonieme inkoop van goed of dienst) de enige afdoende methode was (pleitnota Mr E.J. Dommering d.d. 6 juli 1994 par. 3b).

—        H. heeft op 6 juli 1994 op de zitting onder meer verklaard:

‘Ik had inderdaad ook mijn eigen naam kunnen gebruiken, of de naam van iemand die daadwerkelijk zijn rijbewijs was kwijtgeraakt, maar deze methode zou onvoldoende bewijs leveren, aangezien er altijd een passend antwoord zou kunnen worden gegeven op de eventueel door de ambtenaar gestelde vragen. De door mij toegepaste methode was, naar mijn mening, de enig effectieve methode.’

—        AD publiceerde het resultaat van H.'s test op 2 september 1992 onder de titel ‘Drie rijbewijzen, het blijkt te kunnen’ op de voorpagina van het AD en uitgebreid in de veelgelezen rubriek ‘Uw goed Recht’. Dit artikel waarschuwt opnieuw voor de ernstige gevolgen van de tekortschietende overheid. Op 4 september 1992 stelt kamerlid Schutte aanvullende vragen, en stellen de kamerleden Vos en Van Gijzel met expliciete verwijzing naar het artikel nieuwe vragen. Nu ontkent de minister van V&W in antwoord op deze vragen, mede namens de minister van Justitie en de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, de feiten niet langer en wordt een onderzoek aangekondigd naar de verbetering van de controle maatregelen (pleitnota Mr E.J. Dommering d.d. 18 november 1993 par. 2).

—        Op 7 september 1992 stellen twee Haagse gemeenteraadsleden (de gemeente waarvan H. had aangetoond dat de controle onvoldoende was) vragen aan B&W, onder verwijzing naar het AD artikel. B&W antwoordt op 6 oktober 1992 dat met ingang van 4 september 1992 de instructies van het loketpersoneel zijn verscherpt (pleitnota Mr E.J. Dommering d.d. 18 november 1993 par. 2).

 

2

Het Hof heeft het in onderdeel 1 besproken verweer van H. voorts weerlegd met de overweging dat ‘het journalistieke verlangen om gebreken in de uitvoeringspraktijk bij de verstrekking van rijbewijzen te openbaren en ministeriële ontkenningen te logenstraffen niet vermag de eis dat deze wetsregel (artikel 10, lid 1 WVW) wordt gerespecteerd, opzij te zetten. De pers dient, kort samengevat, bij de uitoefening van haar taak de door de wet getrokken grenzen in acht te nemen’.

Deze overweging, waarmee H.'s beroep op het bestaan van een rechtvaardigingsgrond zoals in onderdeel 1 weergegeven, wordt verworpen, is onjuist althans niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Het Hof heeft immers ten onrechte niet een of meer van de navolgende aspecten in zijn beslissing betrokken.

a.         Het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid is een in het Nederlandse recht aanvaarde rechtvaardigingsgrond, wanneer, zoals in casu het belang dat door de overtreden norm wordt beschermd door die overtreding juist wordt gediend, en een zo tastbaar voordeel voor de rechtsorde heeft dat zij niet strafwaardig kan worden geacht, terwijl ook voor het bereiken van dit doel een redelijk middel is gehanteerd. (Voorzover aangenomen moet worden dat het Hof in het kader van het in onderdeel 1 bestreden oordeel, over de doel-middel verhouding mede een oordeel heeft gegeven, zij naar dat onderdeel verwezen.)

b.         Het Hof had — al of niet in het kader van de sub (a) en (hierna) sub (c) te nemen beslissingen — het algemeen belang dat de pers dient door misstanden aan de kaak te stellen (van welke taak  en beroepsuitoefening, gegeven 's Hofs vaststellingen in cassatie mag worden uitgegaan) dienen af te wegen tegen het belang dat, in casu, door handhaving door middel van een strafvervolging en een veroordeling wordt gediend. In het arrest ontbreekt deze afweging, althans is uit de motivering niet af te leiden dat deze in concreto heeft plaatsgehad.

 

(…)

3

Indien de onderdelen 1 en 2 niet tot cassatie kunnen leiden, zal toch aan de hand van de delictsomschrijving van artikel 10 lid 1 WVW moeten worden nagegaan of het ten laste gelegde feit bewezen is, c.q. het bewezen verklaarde een strafbaar feit in de zin van deze bepaling oplevert. Ook dan is 's Hofs arrest onjuist, althans niet naar de eis der wet met redenen omkleed, omdat in casu het opzet ontbrak om de rijbewijzen ‘te verkrijgen’, aangezien de rijbewijzen onmiddellijk bij de notaris zijn gedeponeerd, en, na de publicatie van het bewuste artikel met de afbeeldingen van de betrokken rijbewijzen, anders dan voor het doel van de publicatie, nooit zijn gebruikt en ook nooit het opzet heeft bestaan dat te doen.

 

Hoge Raad:

 

5

Beoordeling van het middel

 

(…)

5.2

Het derde onderdeel van het middel faalt. Noch de tekst, noch de geschiedenis van de totstandkoming van art. 10 WVW biedt grond voor de in het middelonderdeel voorgestane opvatting dat voor de beantwoording van de vraag of de delictsinhoud van het in het eerste lid van dat artikel voorziene strafbare feit is vervuld, betekenis toekomt aan het door degene die de in dat artikellid bedoelde opgave doet met de verkrijging van het rijbewijs beoogde doel.

5.3

Het eerste en het tweede onderdeel van het middel keren zich met rechts‑ en motiveringsklachten tegen de hiervoren onder 5.1 weergegeven beslissing van het Hof (zie onder Hof; red.).

In de door het Hof aan die beslissing ten grondslag gelegde overwegingen heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat aanvaarding van de onderscheiden door de verdachte aangevoerde rechtvaardigingsgronden niet strookt met maatstaven van proportionaliteit en subsidiariteit.

Aldus heeft het Hof, anders dan in het eerste onderdeel van het middel wordt betoogd, niet blijk gegeven van miskenning van de bij de beoordeling van die rechtvaardigingsgronden aan te leggen maatstaf.

5.4

Het in het tweede onderdeel van het middel aangevallen oordeel van het Hof komt er, beschouwd in samenhang met de daaraan voorafgaande overweging, op neer dat noch aan het belang dat de pers in een democratische samenleving dient door het aan de kaak stellen van misstanden noch aan de daaruit voortvloeiende taak‑ en beroepsuitoefening van de journalist een grond kan worden ontleend ter rechtvaardiging van het ten laste van de verdachte bewezenverklaarde feit. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk is, in aanmerking genomen dat de strafbaarstelling van het bij art. 10, eerste lid, WVW voorziene feit, generlei beperking inhoudt van het in art. 7 Grondwet en art. 10 EVRM gegarandeerde recht op vrijheid van meningsuiting. Voor zover het middelonderdeel blijkens de daarop bij pleidooi gegeven toelichting tegen 's Hofs oordeel opkomt met de klacht dat het Hof ten onrechte heeft nagelaten ‘het algemeen belang van de pers en het door publicatie geschonden rechtsbelang’ bij zijn afweging te betrekken ziet het er dan ook aan voorbij dat in het onderhavige geval niet een door publicatie geschonden rechtsbelang in het geding is.

Voor zover in het middelonderdeel onder b tenslotte wordt betoogd dat het Hof bij zijn afweging ook het belang dat met de onderhavige vervolging is gediend onder ogen had dienen te zien, faalt het, reeds omdat dat belang bij de beoordeling van een verweer als het onderhavige niet ten toets kan komen.

(…)

5.6

Uit het vorenoverwogene volgt dat de overweging die in het eerste onderdeel van het middel wordt aangevallen, door het Hof onmiskenbaar ten overvloede is gegeven, zodat de daartegen opgeworpen motiveringsklachten geen bespreking behoeven.

5.7

Het middel is dus in al zijn onderdelen tevergeefs voorgesteld.

 

6

Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

 

7

Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

 

 

Conclusie A‑G mr. Van Dorst

1

In NJB 1992 blz. 451 deed mr R. de Winter onder de titel ‘Dubbele identiteit voor zesendertig gulden’ verslag van het gemak en de klantvriendelijkheid waarmee hij in het bezit werd gesteld van een nieuw rijbewijs ter vervanging van zijn gestolen exemplaar. Hij wierp ook de vraag op of het kwaadwillenden aldus niet erg eenvoudig wordt gemaakt om zich de identiteit van een ander aan te meten. Naar aanleiding van deze publicatie, waarop het Algemeen Dagblad van 8 april 1992 de aandacht vestigde, heeft het Tweede Kamerlid Schutte vragen gesteld aan de Minister van Verkeer en Waterstaat. Haar antwoord (zie NJB 1992 blz. 778) ving aan met de mededeling dat geen berichten waren binnengekomen dat de ‘regelgeving voor het verkrijgen van rijbewijzen of paspoorten en andere reisdocumenten fraudegevoelig zou zijn’, het vervolgde met een schets van de juridische mogelijkheden tot controle van de identiteit der aanvrager en het concludeerde ‘dat bij een juiste uitvoering van de voorschriften omtrent vaststelling van de identiteit c.q. rijbevoegdheid van de aanvrager de regelingen ter verkrijging van een paspoort of rijbewijs niet fraudegevoelig zijn’.

2

Verzoeker, redacteur van de rubriek ‘Uw Goed Recht’ van het Algemeen Dagblad was door dit regeringsantwoord niet overtuigd en besloot proefondervindelijk vast te stellen of de controle van overheidswege bij de uitgifte van rijbewijzen deugt. Daartoe vervoegde hij zich aan de gemeentelijke loketten te Rotterdam, Den Haag en Zoetermeer. Hij vertelde daar dat hij zijn rijbewijs was kwijtgeraakt en hij vulde aanvraagformulieren in voor een nieuw rijbewijs. Hij bediende zich echter telkens van de personalia van een collega, zulks met diens toestemming. In Rotterdam liep hij tegen de lamp omdat hij de controlevragen die de ambtenaar stelde, niet juist kon beantwoorden. In Den Haag en Zoetermeer had hij echter succes en verkreeg hij een nieuw rijbewijs, gesteld op naam van een ander doch voorzien van zijn eigen pasfoto. Deze rijbewijzen zijn à raison van ƒ 414,75 bij een notaris in bewaring gegeven en nadien aan de overheid teruggegeven. Verzoeker zelf heeft de politie ingelicht. In het AD van 2 september 1992 deed verzoeker paginagroot verslag van zijn wederwaardigheden onder de kop ‘Drie rijbewijzen, het blijkt te kunnen’.

Uit het regeringsantwoord op kamervragen die op dit artikel zijn gevolgd, blijkt dat de procedure klaarblijkelijk voor verbetering vatbaar was; de Minister van Verkeer en Waterstaat verklaarde daarin namelijk dat zij in overleg met haar ambtgenoten van Justitie en Binnenlandse Zaken zou onderzoeken ‘of de controle op de opgegeven identiteit kan worden aangescherpt en of aanpassing van de regelgeving daarvoor noodzakelijk is’ (NJB 1992, blz. 1317).

3

Verzoeker heeft een transactieaanbod van ƒ 750 gekregen; dat is opmerkelijk, gelet enerzijds op de toen reeds bekende argumenten van verzoeker waarom hij meende niet vervolgd te moeten worden, en anderzijds op de afloop van de zaak bij het hof (vgl. het handboek van Corstens, blz. 108; zie ook hierna onder 39). Toen hij op dat aanbod niet inging, is hij vervolgd en wel ter zake van het meermalen (namelijk te Den Haag en Zoetermeer) plegen van het misdrijf van art. 10 lid 1 van de WVW: het opzettelijk onjuiste opgave doen in de schriftelijke aanvrage tot het verkrijgen van een rijbewijs (zie thans art. 114 WVW 1994).

Het gerechtshof te 's‑Gravenhage heeft verzoeker bij arrest van 19 juli 1994 schuldigverklaard zonder toepassing van straf of maatregel, zulks gelet op het

‘motief tot het begaan van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan’.’

Aan die beslissing ging vooraf een weergave van de gevoerde verweren, door het hof samengevat als een beroep op het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid, op noodtoestand en op het journalistiek beroepsrecht. Het hof verwierp deze verweren op de volgende gronden: (enz.; zie onder Hof; red.)

3

Namens verzoeker heeft mr E.J. Dommering, advocaat te 's‑Gravenhage, één middel van cassatie voorgesteld tegen 's hofs arrest. Het middel is bij pleidooi uitvoerig toegelicht.

4

De raadsman ving zijn pleidooi voor de Hoge Raad aan met de stelling dat het hier om een principiële perszaak gaat. In dat verband werd verwezen naar een serie beslissingen van het Europese Hof voor de rechten van de mens (EHRM) en de HR over — kort gezegd — de taak en het recht van de pers om het falen van de overheid publiekelijk aan de kaak te stellen.

Het betreft hier echter geen (klassiek) persdelict. Over een persdelict spreken we immers indien het gaat om het publiceren en/of verspreiden van opvattingen, etc. In het onderhavige geval zou derhalve van zo'n persdelict sprake zijn geweest als verzoeker vervolgd was voor de publicatie van zijn bevindingen. Voor die publicatie zou, hoe onwelgevallig zij de overheid ook geweest mocht zijn, verzoeker vrijuit zijn gegaan doordat hij met succes een beroep had kunnen doen op art. 7 Grondwet en/of art. 10 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) (of art. 19 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBP)), nog daargelaten dat mij niet zo gauw een strafrechtelijke bepaling te binnen wil schieten op grond waarvan verzoeker vervolgd had kunnen worden. Zie in dit verband de rechtspraak en literatuur in de losbladige Onrechtmatige Daad I (nieuw) aant. 241 bij art. 162 lid 2 BW, en I (oud) nr. 234 sub 5, alsmede P.J. Boon, Zonder voorafgaand verlof, 5e druk blz. 64 ev en blz. 94 ev, J.M. de Meij, Uitingsvrijheid; de vrije informatiestroom in grondwettelijk perspectief, 1989, blz. 67 ev, en G.A.I. Schuijt, Werkers van het woord, 1987, blz. 162. Zie voor de rol van de pers in een democratische samenleving en de beperkingen die zij zich dient te laten welgevallen Löffler/Ricker, Handbuch des Presserechts, derde druk, München 1994, en — in internationaal verband — het Unesco-rapport Press Law and Practice, A comparative study of press freedom in European and other democracies, 1993.

5

Verzoeker is echter niet vervolgd voor hetgeen hij heeft geschreven en door middel van publicatie in de krant onder het publiek heeft verspreid. Hij is vervolgd voor het verstrekken van onjuiste informatie bij de aanvraag van een rijbewijs. Dat hij dat deed met het oogmerk om zijn bevindingen later te publiceren, is vanuit oogpunt van de bescherming die verdragen, grondwet en wetten bieden tegen inbreuken op het recht van vrije meningsuiting en -verspreiding, niet relevant. Bij deze constatering wil ik het echter niet laten, omdat ik daarmee misschien niet volledig recht doe aan de intentie van de raadsman.

6

De argumentatie waarvan de raadsman zich bedient, zou namelijk voet kunnen geven aan de (onuitgesproken) gedachte dat hij een soort connex of relatief persdelict ingevoerd wenst te zien. De hierna uitvoeriger te bespreken gronden die hij aanvoert ter bepleiting van straffeloosheid, doen immers sterk denken aan de criteria die in het uitleveringsrecht plegen te worden gehanteerd om uit te maken of er sprake is van een (relatief) politiek delict, waarvoor — net als voor het klassieke absolute politieke delict dat rechtstreeks is gericht tegen de veiligheid en/of het functioneren van de staat — niet uitgeleverd mag worden. Die vergelijking is minder vergezocht dan het op het eerste gezicht lijkt, omdat politieke delicten en persdelicten vaak samenvallen of zo dicht bij elkaar liggen dat zij op dezelfde voet behandeld worden. Ik verwijs slechts naar de persprocessen die na de aanhechting van de voormalige Oostenrijkse Nederlanden plaatsvonden en die één van de oorzaken vormden van de afscheiding van België in 1830; in reactie hierop heeft de Belgische grondwet uitdrukkelijk voorzien in een gunstregime voor zowel politieke als persmisdrijven (zo werd aanvankelijk alleen daarvoor de door koning Willem I afgeschafte jury heringevoerd). Uitvoeriger hierover: Ch. van den Wyngaert, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, 2e druk blz. 141 ev. Ook kan nog worden gewezen op het vreemdelingenrecht. Daar blijft uitzetting achterwege indien de vreemdeling hierheen is gevlucht en hij gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging wegens zijn politieke overtuiging (o.a. art. 15 lid 1 van de Vreemdelingenwet), hetgeen niet zelden samenvalt met de vrees dat vervolgd zal worden omdat de betrokkene die overtuiging in het land van herkomst daadwerkelijk heeft uitgedragen. Zie ook Swart, Nederlands uitleveringsrecht, blz. 256.

7

Bij het relatieve politieke delict komt grote betekenis toe aan factoren als de relatie tussen feit en doel, de motieven van de dader, de kans op succes, de proportionaliteit en subsidiariteit. Uitvoeriger hierover: Remmelink, Uitlevering, blz. 101 ev, en Swart, a.w. blz. 246 ev. Alleen het gestelde doel verschilt. Bij een politiek delict in uitleveringszaken ligt de nadruk op de belemmering van het functioneren van de staat, zulks in het kader van de strijd om de macht. In het onderhavige geval gaat het om de openbaarmaking van misstanden bij de overheid. Een nog gewichtiger verschil ligt in de ratio van de aanvaarding van het politieke karakter van het delict als uitleveringsimpediment. De voornaamste bestaansreden van dit beletsel is tegenwoordig het zich als aangezochte staat onthouden van een positiekeuze in de interne politieke conflicten in een ander land en het voorkomen dat de betrokkene blootgesteld wordt aan een unfair proces c.q. onevenredig zware bestraffing. Die ratio ontbreekt bij delicten als de onderhavige; de uitkomst van de onderwerpelijke strafzaak toont dat ook aan. Daarom is er, dunkt mij, onvoldoende grond om een soort relatief persdelict te introduceren.

8

Ik sta nog even stil bij de connexiteit. Bij politieke delicten is daarvan sprake indien het gaat om een feit dat naar commuun recht strafbaar is, maar dat is begaan om het absolute politieke delict mogelijk te maken, de resultaten daarvan veilig te stellen of aan berechting deswege te ontkomen. Vereist is echter wel dat het absolute politieke delict in voltooide vorm of in pogingsvorm is begaan (Swart, a.w. blz. 261). Aan die eis is in casu niet voldaan, want verzoekers publicatie levert op zichzelf geen strafbaar feit op. Wel zou de connexiteit als spiegelbeeld gebruikt kunnen worden: als de publicatie zelf niet strafbaar is, behoren ook de feiten die begaan moesten worden om die publicatie mogelijk te maken, straffeloos te zijn. Aldus wordt de lijn van o.m. HR NJ 1951, 137 over de verspreiding van gedachten en gevoelens (een recht dat onmisbaar is voor de uitoefening van doch tevens ondergeschikt is aan het in art. 7 van de Grondwet gewaarborgde recht om zonder voorafgaand verlof van de overheid gedachten en gevoelens te uiten) doorgetrokken naar de vóórfase. Zelf zou ik zo ver niet willen gaan. In dat verband kan gewezen worden op (deels) latere mensenrechtenverdragen waarin het verspreidingsrecht wel wordt erkend alsook het recht om inlichtingen en denkbeelden te verzamelen, doch niet het recht om strafbare feiten te plegen teneinde die denkbeelden van een deugdelijke grondslag te voorzien (vgl. art. 10 lid 1 EVRM en art. 19 lid 2 IVBP). Ook praktische motieven pleiten tegen een dergelijke uitbreiding van het journalistiek privilege. Het ontslaat de rechter immers van de plicht om — soms moeizame — speurtochten te ondernemen naar de waarde (en het waarheidsgehalte) van het beroep op het algemeen belang dat gediend zou zijn met de strafbare feiten. Indien dat algemeen belang echt als een paal boven water staat, zal een verstandig vervolgingsbeleid — waarbij dat belang wordt afgewogen tegen het belang van normdemonstratie door middel van vervolging en berechting — (zonodig met een rechterlijke correctie op grond van art. 9a Sr) uitkomst kunnen bieden. Dus geen straffeloosheid bij voorbaat, maar wel een kans op niet-vervolging c.q. schuldigverklaring zonder straf, welke kans groter is naarmate de gepubliceerde misstand het daartoe begane delict overschaduwt. Pleitbaar is zelfs dat alleen al de dreiging van een strafvervolging dwingt tot grotere zorgvuldigheid bij de beantwoording van de vraag of wetsovertreding echt nodig is om misstanden te kunnen openbaren. Een wijs vervolgingsbeleid behoeft er echter niet aan in de weg te staan dat journalisten soms verder gaan dan naar de letter der wet zou mogen en dat aldus maatschappelijk onduldbare toestanden aan het licht worden gebracht die anders geheim zouden zijn gebleven.

9

Kortom, ik denk dat niemand een goede dienst wordt bewezen indien zaken die niet tot de eigenlijke taak van de pers behoren — het verzamelen, publiceren en verspreiden van feiten en meningen, ongeacht wat de overheid daarvan vindt — onder het journalistiek privilege worden geschoven en deswege ten principale van strafvervolging uitgesloten zouden zijn. Het gevaar dat de veroordeling van die wezensvreemde activiteiten repercussies heeft op de vrijheid om binnen de door de wet gestelde grenzen al datgene uit te dragen wat de schrijver/drukker/uitgever goeddunkt, ligt zo om de hoek, dat het reeds daarom goed is een scherp onderscheid te maken tussen de activiteiten van de auteur ter voorbereiding van een publicatie en de publicatie zelf.

10

Het gaat in deze zaak dus niet om een persmisdrijf. Dat impliceert dat (rechtstreekse) toetsing van verzoekers handelen aan de normen die ontleend kunnen worden aan art. 7 van de Grondwet en/of art. 10 EVRM en/of art. 19 IVBP achterwege dient te blijven.

11

Dat wil overigens niet zeggen dat de hoedanigheid van verzoeker en diens oogmerk bij het plegen der feiten, volstrekt irrelevant is. Dat oogmerk, het door middel van het begaan van strafbare feiten aan de dag en/of onder de publieke aandacht brengen van misstanden, heeft tot op zekere hoogte in rechte erkenning gevonden. Ik wijs op art. 261 lid 3 Sr waar het algemeen belang uitdrukkelijk wordt genoemd als rechtvaardigingsgrond voor smaad of smaadschrift.

12

Daarmee beland ik bij de wijze waarop het hof de gevoerde verweren heeft verworpen. Bij de beoordeling van die motivering moet in de gaten worden gehouden, dat in cassatie niet wordt getoetst of het hof die verweren terecht heeft verworpen; de Hoge Raad mag slechts de deugdelijkheid controleren van de wijze waarop de gevoerde verweren zijn uitgelegd en van de gronden waarop hun verwerping steunt.

13

De hoofdmoot van het middel bestaat uit een bestrijding van de wijze waarop het hof het beroep op het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid heeft verworpen.

14

Blijkens de bij pleidooi gegeven toelichting op deze klacht, volgt de raadsman de in de literatuur inmiddels gebruikelijke tweedeling der gevallen waarin deze rechtvaardigingsgrond tot op heden is ingeroepen. Vgl. Van Veen, Ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid: de rechter aan zijn grens? RM Themis 1971 blz. 3 ev; Van Veen, Ontbreken van materiële wederrechtelijkheid, preadvies voor de Vereniging voor Wijsbegeerte van het Recht, in: Rechtstheorie en Rechtsfilosofie 1980 blz. 1 ev, Van Bemmelen-Van Veen/De Jong-Knigge, Het materiële strafrecht, algemeen deel, 11e druk blz. 142 ev; Hazewinkel-Suringa/Remmelink, 13e druk blz. 341 ev; Nieboer, Schets materieel strafrecht, blz. 260 ev; T & C Strafrecht, blz. 175 ev.

In die tweedeling bestaat — grofweg — de ene categorie uit gevallen waarin de rechtvaardiging der wetsovertreding is gelegen in het streven aldus een doel van hogere orde te bereiken, welk doel op een heel ander terrein ligt dan door de geschonden norm wordt bestreken. Ik noem slechts de rechtspraak over bezettingsacties die ondernomen werden om democratiseringseisen etc. kracht bij te zetten. Uit die rechtspraak blijkt dat dergelijke ‘politieke’ verweren eigenlijk geen kans van slagen hebben, omdat er andere (legale) wegen openstonden om het gestelde doel te bereiken, zelfs indien die reeds tevergeefs waren bewandeld, ‘nu zulks nog niet betekent dat het opnieuw begaan van die wegen gedoemd is vruchteloos te blijven’ (HR  NJ 1976, 197). In de aangehaalde literatuur wordt voor die aanpak — meestal op gronden die ontleend zijn aan de leer der machtenscheiding — begrip opgebracht, zo die ontwikkeling al niet wordt toegejuicht. Pleitbaar is zelfs dat dergelijke betogen afstuiten op art. 11 AB hetwelk de rechter verbiedt de innerlijke waarde of billijkheid der wet te beoordelen; zie hierna onder 29.

De tweede categorie omvat situaties waarin de verdachte zich erop beroept dat hij de wet slechts naar de letter doch niet naar de geest heeft overtreden: door de schending van de wet wordt het doel van diezelfde wet gediend. Nieboer (a.w. blz. 261) spreekt hier van een ‘dodo-grond’ (doeldominantie). De rechtspraak en literatuur slaan voor deze rechtvaardigingsgrond niet resoluut de deur dicht. Remmelink (a.w. blz. 348) eist echter wel een contrariërende norm krachtens welke onder bepaalde omstandigheden de strafbepaling niet meer van toepassing kan worden geacht, waarbij de proportionaliteitseis regulerend kan werken.

15

Het valt op dat in de gehele procedure het verweer primair is afgedaan als viel het onder de eerste categorie. Zie het schriftelijke requisitoir van de officier van justitie die zich afvroeg of er niet nog andere wettige wegen te bewandelen waren dan die reeds begaan waren (de hiervoren onder 1 vermelde publicatie en de naar aanleiding daarvan gestelde kamervragen). De politierechter overwoog dat nog niet alle wettige middelen waren uitgeput, reeds omdat het vergeefs bewandelen van openstaande wettige wegen niet betekent dat een nieuwe poging tot falen gedoemd is (vgl. HR  NJ 1976, 197). En het hof tenslotte overwoog dat niet aannemelijk was geworden dat verzoeker alleen door art. 10 lid 1 WVW te overtreden voldoende gegevens kon verkrijgen waaruit de gebrekkige identiteitscontrole bij de afgifte van rijbewijzen zou blijken; anders gezegd: niet aannemelijk was geworden dat geen andere wegen openstonden om het nagestreefde doel te bereiken.

16

Die motivering is niet onbegrijpelijk omdat de raadsman in de feitelijke instanties heeft benadrukt dat en waarom er geen alternatieven waren en dat deswege na zorgvuldige afweging de keuze op dit middel is gevallen. Hij heeft echter ook uitdrukkelijk beroep gedaan op de ‘waakhondfunctie van de pers’ en op het beroepsrecht van verzoeker als contrariërende norm (pleitnota in hoger beroep, blz. 13 en 15). Ook wierp hij de vraag op of art. 10 lid 1 WVW wel voor een geval als het onderhavige is ingeschreven.

17

Het komt mij voor dat die laatste vraag eerst moet worden beantwoord. Als immers art. 10 lid 1 WVW zich niet uitstrekt over de onderhavige gedraging, is het probleem van de mogelijke rechtvaardigingsgrond van de baan. Remmelink (a.w. blz. 349) bespreekt deze kwestie onder het hoofdje ‘Afwezigheid van materiële wederrechtelijkheid als interveniërende norm’. Daarbij heeft hij het oog op de rechtspraak van de Hoge Raad waarin strafbepalingen zodanig creatief worden uitgelegd, dat de spanning tussen de letter der wet en de heersende rechtsovertuiging wordt opgeheven; het mogelijk ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid leidt hier tot een beperkte uitleg van de strafbepaling (vgl. bijv. de interpretatie van het begrip ‘onttrekken’ in de zin van art. 280 Sr in HR  NJ 1978, 127). Ook Nieboer (a.w. blz. 261) komt pas toe aan aanvaarding van de onderhavige rechtvaardigingsgrond ‘als op bestanddeelniveau de mogelijkheden zijn uitgeput’.

18

Behoort art. 10 lid 1 WVW aldus te worden uitgelegd dat het geen betrekking heeft op journalisten die een onjuiste aanvraag voor een rijbewijs indienen enkel en alleen met het oogmerk het falen der overheid bij de controle van de identiteit van de aanvrager aan de kaak te stellen? Ik voeg hieraan meteen toe dat die uitleg niet alleen van belang is voor het verkrijgen van rijbewijzen, maar ook — om maar een paar extremen te noemen — voor het verwerven van een paspoort, het doen van aangifte van een pasgeborene, het opgeven van de personalia in een strafzaak en het zich aanmelden voor het ondergaan van een vrijheidsstraf.

19

Aan die vraagstelling ligt de vooronderstelling ten grondslag dat op de overheid een stringente zorgvuldigheidsplicht rust (pleitnota in hoger beroep blz. 3) bij de controle van de identiteit van de aanvrager van een rijbewijs, zulks gelet op de belangrijke rol die dit document vervult in het maatschappelijk verkeer, niet alleen als bewijsmiddel van gebleken rijvaardigheid maar ook als identiteitsbewijs.

20

Ik vraag mij echter af of die vooronderstelling wel juist is. De zorgvuldigheidsplicht lijkt hier namelijk te steunen op de gedachte dat de overheid al haar burgers met een diep geworteld wantrouwen tegemoet dient te treden als waren het allemaal oplichters, schriftvervalsers e.t.q. Bij dat uitgangspunt zou de overheid nooit of te nimmer iemand op zijn woord mogen geloven en zou daarom een diepgaande controle nodig zijn van alle inlichtingen die de burgers haar verstrekken. Orwells befaamde Big brother ligt hier om de hoek.

21

Een sympathieker opstelling van de overheid jegens haar burgers is echter evengoed denkbaar (en mij persoonlijk dierbaarder). Op grond van die gedachte is bepaald verdedigbaar dat de overheid als ieder ander behoort uit te gaan van de goede trouw van degene die zich tot haar wendt. In die visie gaat de strafbaarstelling van het verstrekken van onjuiste gegevens al heel ver, hoewel dat gebillijkt kan worden met het argument dat de burger niet in de verleiding gebracht moet worden om risicoloos onwaarheden te debiteren en aldus het maatschappelijk leven, waarin de overheid als intermediair optreedt, te ontregelen. Bij dat uitgangspunt is controle van de aangereikte gegevens weliswaar op voorhand niet uitgesloten, doch noodzaak daartoe bestaat slechts dan indien twijfel rijst aan de goede trouw die de burger — ook jegens de overheid — in acht behoort te nemen. Als ik het goed zie, geniet de laatste kijk op de taak en functie van de overheid de steun van veel bredere kringen van de samenleving dan de eerste. In het voorbijgaan attendeer ik slechts op de door De Winter geprezen klantvriendelijkheid van de dienstdoende loketbeambte: ook dat is een eigenschap die geëist wordt van overheidsinstanties.

Zo viel tijdens de bestudering van deze zaak mijn oog op een rechtbankverslag in de Haagsche Courant van 7 februari 1995 onder de titel ‘Otto koelt woede op vitrine postkantoor’ waaruit blijkt dat de politierechter art. 9a Sr toepaste op grond van het feit dat Otto tot zaaksvernieling was overgegaan nadat hem — een vaste klant van het postkantoor — een aangetekende brief niet was meegegeven omdat hij zich niet deugdelijk kon legitimeren, ook al kon hij een copie van zijn paspoort, zijn giropasje en girobetaalkaarten tonen. Dit — mede — ter relativering van het geharnaste standpunt van verzoeker.

22

Ik realiseer me overigens dat het hier gaat om een onderwerp dat van tal van kanten belicht kan worden, afhankelijk van welke (staatsfilosofische en/of ideologische) gezichtshoek gekozen wordt. Een conclusie in een concrete (straf)zaak is echter niet de plaats om meer of minder principiële, normatieve uitspraken te doen over ‘de overheidstaak’. Die discussie en het daarmee samenhangende debat over de plichten van de overheid horen op het Binnenhof thuis.

23

De laatste hierboven geschetste visie op de overheid geniet de meeste steun, als ik het goed zie. Bovendien is zij in de praktijk ook beter hanteerbaar. Want wanneer alle overheidsinstanties ten principale geen geloof zouden mogen hechten aan de talloze gegevens die de burgers — meestal wettelijk daartoe verplicht — verschaffen om vervolgens al die gegevens aan een diepgaand onderzoek naar hun juistheid te onderwerpen, zal de huidige toch al forse administratie nog wel wat uitgebreid mogen worden. Ik stip slechts aan dat bij de opvatting die aan het middel ten grondslag lijkt te liggen, niet alleen stevig gecontroleerd moet worden, maar dat wellicht de controleurs — ook maar om te kopen of anderszins te wantrouwen individuen — ook nog eens gecontroleerd dienen te worden teneinde echt uit te kunnen sluiten dat er ergens een valse opgave doorheen glipt.

24

Bij die stand van zaken houd ik het op de idee dat de overheid slechts dan tot controle verplicht is, indien twijfel rijst. Dat impliceert dat er weleens rijbewijzen zullen worden verstrekt aan lieden die zeer overtuigend kunnen liegen, maar dat moet dan maar op de koop toe worden genomen. Het is overigens de vraag of dat nu werkelijk zo vaak voorkomt als wordt gesuggereerd. Want dat verzoeker twee valse rijbewijzen heeft weten te bemachtigen, hangt toch, als ik het wel heb, vooral samen met het feit dat hij wist wat voor soort controlevragen hem gesteld zouden kunnen worden en dat hij zich op de beantwoording daarvan terdege geprepareerd had (zoals het uit het hoofd leren van alle gegevens op de persoonskaart van degene wiens identiteit hij leende), zulks gepaard aan een klaarblijkelijk goed ontwikkeld vermogen om de schijn als werkelijkheid te presenteren.

25

Daaruit volgt dat de zorgvuldigheidsplicht van de overheid bij de identiteitscontrole in het kader van aanvragen ex art. 10 lid 1 WVW heel wat minder stringent is c.q. behoeft te zijn dan het middel vooronderstelt. Maar dan is er ook geen enkele reden om door middel van een restrictieve uitleg van art. 10 lid 1 WVW (en vergelijkbare wetsbepalingen) de goedbedoelende pers een vrijbrief te verstrekken om het falen der overheid bij de identiteitscontrole aan de kaak te stellen. Dat falen moet immers op de koop toe worden genomen; het leveren van het bewijs van dat falen, gelijkt in deze constellatie op het intrappen van de befaamde open deur.

26

Dat betekent dat de juiste intentie van verzoeker niet kan dienen als Remmelinkiaanse ‘interveniërende norm’. Met goede bedoelingen kan de rechter zich op strafbaarheidsniveau moeilijk bezig houden (iets anders is dat zij — zoals in casu — bij de strafmaat een rol kunnen spelen). Want als verzoeker op grond van zijn oogmerk vrijuit zou gaan, waarom zouden anderen die met in hun ogen even verheven doeleinden art. 10 lid 1 WVW schenden, dan wel strafbaar moeten zijn? Ik geef slechts twee willekeurige voorbeelden. Een volksvertegenwoordiger doet hetzelfde wat verzoeker heeft gedaan, met het oogmerk de minister te kunnen betichten van de moderne doodzonde dat zij het parlement onjuist heeft voorgelicht inzake de door haar genoemde antifraudevoorschriften en/of de toepassing daarvan om haar aldus tot heengaan te dwingen. In dat geval zou het strafrechtelijk verwijt hetzelfde zijn, zonder dat sprake zou zijn van een ‘principiële perszaak’. En zou het oordeel anders moeten zijn als niet een oppositioneel maar een bevriend kamerlid de proef op de som had genomen, wetend dat hij of zij de eerstaangewezene zou zijn om de verdreven minister op te volgen? Nog een ander voorbeeld; een kameraad van iemand die verdacht wordt van handelen in strijd met art. 10 lid 1 WVW, pleegt hetzelfde feit louter om kracht te kunnen bijzetten aan verdachtes beroep op strafvermindering aangezien de overheid het de burgers wel erg gemakkelijk maakt om te frauderen met rijbewijzen.

Zie over de geringe waardering van de strafrechter voor nobele doeleinden als rechtvaardigingsgrond bijv. HR NJ 1938, 929 (Hohnermuziekinstrumenten) inzake de veroordeling ter zake van oplichting, ondanks het edele streven om aldus winkeliers te beschermen tegen een grossier die zich niet aan prijsafspraken hield (prijsvorming vond men toen, in de Crisistijd, iets goeds; vgl. de noot van Pompe onder het arrest), HR  NJ 1973, 54 (participerende observatie van een verslaggever bij een bezettingsactie) en HR  NJ 1976, 439 (heling van gestolen goederen om ze — tegen tipgeld — via de verzekeraars aan de bestolenen terug te geven).

27

Art. 10 lid 1 WVW strekt zich dus in volle omvang uit over het handelen van verzoeker. Daarmee komt de vraag aan de orde of er sprake is van een rechtvaardigingsgrond in de vorm van het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid. Bij pleidooi is daartoe — in het voetspoor van Remmelink, a.w. blz. 348 — beroep gedaan op het bestaan van een zgn. contrariërende norm. Die norm zou in casu gelegen zijn in de taak van de pers om de waarheid aan het licht te brengen: in dit geval het tekortschieten van de overheid in de handhaving van het voorschrift van art. 10 lid 1 WVW. Op grond van die (ongeschreven) norm mocht verzoeker datzelfde art. 10 lid 1 WVW overtreden teneinde de afgifte van valse rijbewijzen in de toekomst minder gemakkelijk te maken.

28

Hierboven is reeds uiteengezet dat op de overheid niet een zo veelomvattende zorgvuldigheidsplicht rust als waarvan het middel uitgaat. Dat impliceert dat een zeker falen van de overheid geaccepteerd dient te worden, zeker indien de aanvrager zich van list en bedrog bedient. Dat hangt samen met de terughoudendheid die de overheid behoort te betrachten bij de uitoefening van de haar toevertrouwde taken. Bij die stand van zaken heeft de pers alle vrijheid om over dit ‘falen’ te schrijven wat haar goeddunkt. Zij overschrijdt echter onnodig een grens indien daartoe strafbare feiten worden begaan, hoe goed bedoeld ook. Dat tekortschieten is immers inherent aan de wijze waarop wij verwachten dat de overheid de burgers tegemoet treedt; dat hoeft niet nog eens bewezen te worden. Aan de vrijheid en/of de taak van pers in een samenleving als de onze kan, dunkt mij, dan ook geen ‘contrariërende’ norm in evenvermelde zin worden ontleend. Zie ook HR NJ 1949, 95 (geheime notulen van Linggadjati) over de relatie tussen wetshandhaving (i.c. de art. 272 Sr gesanctioneerde geheimhoudingsplicht) en de persvrijheid (i.c. toegespitst op het verschoningsrecht van de journalist).

29

Overigens heeft Remmelink niet veel op met het leerstuk van het ontbreken der materiële wederrechtelijkheid zoals in zijn beschouwingen over dit onderwerp tussen de regels door valt te lezen. Explicieter is in dit opzicht Van Veen in zijn reeds genoemde preadvies waar in feite gepleit wordt voor afschaffing van deze strafuitsluitingsgrond. Zijn betoog komt in de kern hierop neer dat aanvaarding van het verweer — namelijk voor wat betreft de hierboven onder 14 als eerste genoemde categorie van gevallen — in strijd zou komen met art. 11 AB hetwelk de rechter verbiedt de innerlijke waarde of billijkheid der wet te beoordelen. In de overige gevallen is deze exceptie overbodig omdat gedrag dat naar de letter doch niet naar de geest in strijd is met de wet via wetsinterpretatie buiten het bereik van de norm gebracht kan worden (de tweede categorie van de sub 14 vermelde gevallen). En ten slotte is er als vangnet voor uitzonderlijke gevallen altijd nog de overmachtexceptie. Die exceptie geniet de voorkeur omdat aldus gedrag kan worden gedisculpeerd zonder dat dit precedentwerking heeft.

In wezen is het dit standpunt dat door mij eerder verdedigd is in stelling 1 bij het proefschrift De verjaring van het recht tot strafvordering. Ik denk dat de praktijk

advocaten die, zoals in casu, veel werk maken van het onderbouwen van het verweer, rechters die weten dat ze het niet mogen accepteren doch de weerleggingsgronden niet direct uit de mouw kunnen schudden, en niet in de laatste plaats generaties studenten die zich telkens weer de finesses eigen moeten maken van dit leerstuk dat in de praktijk grauwe theorie blijkt te zijn —

de Hoge Raad zeer dankbaar zal zijn, indien hij de heersende leer zou volgen en het beroep op het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid zou bijzetten in het magazijn der rechtshistorie. Een lichtend voorbeeld vormt in dat opzicht HR  NJ 1980, 353 (stierkalf). Ook kan worden gewezen op de exceptie van de gewetensbezwaren, door de Hoge Raad ten principale als strafuitsluitingsgrond erkend in HR NJ 1951, 348, NJ 1951, 349 en NJ 1952, 683 doch in HR  NJ 1969, 2 teruggedrongen binnen de grenzen van de overmacht van art. 40 Sr; zie ook HSR, 13e druk blz. 305–306 en de noot van Van Veen onder HR  NJ 1992, 196, HR DD 1995.157 (HR 20 december 1994 NJB-katern 1995 blz. 118 nr. 39) alsmede W.A. Holland, Gewetensbezwaren en strafuitsluitingsgronden, blz. 329. Aan leerstukken als het onderhavige die zo oeverloos (elke exegeet geeft er zijn eigen interpretatie aan) en zo onvruchtbaar zijn (als er beroep op wordt gedaan, moet de rechter het beantwoorden, maar hij mag het niet aanvaarden) heeft de praktijk noch de theorie van het strafrecht enige behoefte, dunkt mij.

30

Na dit voor een gemiddelde conclusie in strafzaken uitvoerige exposé, waartoe het pleidooi overigens in alle opzichten aanleiding gaf, wordt het tijd het middel onder de loep te nemen.

31

Onderdeel 1 van het middel klaagt erover dat het hof de verwerping van het beroep op het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid, op noodtoestand en op het beroepsrecht van verzoeker, heeft doen steunen op de hantering van een onjuiste maatstaf, althans onvoldoende met redenen heeft omkleed. Daarbij heeft het middel in het bijzonder het oog op de volgende overweging:

‘Het hof voegt daar nog aan toe dat het niet aannemelijk is geworden dat zonder schending van dit wetsartikel niet voldoende gegevens waaruit de gebrekkige identiteitscontrole bij de afgifte van rijbewijzen zou blijken, verkregen konden worden.’

Door aldus te overwegen zou het hof voorbij zijn gegaan aan het verweer dat verzoeker de delicten pleegde teneinde zodanige feiten en omstandigheden te kunnen publiceren dat de verantwoordelijke overheden het gebrek aan controle niet langer zouden kunnen ontkennen en zich genoopt zouden zien maatregelen te nemen ter verbetering van de controle.

32

Deze klacht mist feitelijke grondslag. Het hof heeft immers ook overwogen:

‘Het journalistiek verlangen om gebreken in de uitvoeringspraktijk bij de verstrekking van rijbewijzen te openbaren en ministeriële ontkenningen te logenstraffen vermag hier de eis dat deze wetsregel (art. 10 lid 1 WVW, vD) gerespecteerd wordt, niet opzij te zetten. Bij de uitvoering van haar belangrijke taak in onze democratische samenleving om het publiek in te lichten omtrent misstanden bij de uitvoering van overheidstaken dient de pers, ook indien zij anders niet of slechts moeizaam de door haar begeerde informatie kan verkrijgen, de door de strafwet getrokken grenzen in acht te nemen.’

33

Onderdeel 2 sub a strekt ten betoge dat het hof bij de beoordeling van het beroep op het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid ten onrechte niet in zijn beschouwingen heeft betrokken dat een feit niet strafbaar is indien het belang dat door de overtreden norm wordt beschermd, door die overtreding wordt gediend en een zo tastbaar voordeel voor de rechtsorde oplevert dat zij niet strafwaardig kan worden geacht, terwijl voor het bereiken van het doel ook een redelijk middel is gehanteerd.

34

In 's hofs overwegingen ligt echter een afweging besloten van het belang dat wettelijke regels worden gerespecteerd, tegen het belang dat in casu door de overtreding werd nagestreefd. Datzelfde geldt voor de relatie tussen het gestelde doel en het gehanteerde middel. Voor zover erover wordt geklaagd dat het hof die belangen niet zou hebben afgewogen, mist het derhalve feitelijke grondslag. Gelet ook op hetgeen ik hierboven heb opgemerkt over het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid als rechtvaardigingsgrond, geeft 's hofs overweging niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

(…)

37

Onderdeel 2 sub b strekt ten betoge dat het hof het algemeen belang dat de pers dient door misstanden aan de kaak te stellen, had moeten afwegen tegen het algemeen belang dat in casu door middel van strafvervolging wordt gediend. Ik versta de klacht aldus dat het hof had moeten aangeven waarom het tweede belang had behoren te prevaleren.

38

De klacht mist feitelijke grondslag voor zover wordt betoogd dat bedoelde belangenafweging niet zou hebben plaatsgevonden. Het hof overwoog immers uitdrukkelijk dat het journalistiek verlangen om gebreken in de uitvoeringspraktijk bij de verstrekking van rijbewijzen te openbaren en ministeriële ontkenningen te logenstraffen, niet de eis vermag opzij te zetten dat de wet gerespecteerd wordt, en dat de pers bij de uitvoering van haar belangrijke taak in onze democratische samenleving om het publiek in te lichten omtrent misstanden bij de uitvoering van overheidstaken de door de strafwet getrokken grenzen in acht dient te nemen, ook indien zij anders niet of slechts moeizaam de door haar begeerde informatie kan verkrijgen.

39

Tot een verdergaande afweging was het hof niet bevoegd. Want dat zou betekenen dat het hof had moeten treden in de juistheid van de vervolgingsbeslissing. Daartoe is de strafrechter echter niet bevoegd, behoudens indien de vervolgingsbeslissing in strijd is met wetten, verdragen en/of ongeschreven rechtsbeginselen; vgl. HR  NJ 1987, 861. Dat is echter niet gesteld.

Bij die stand van zaken mocht het hof de vervolgingsbeslissing slechts ‘corrigeren’ door geen straf of maatregel op te leggen (vgl. Blok-Besier, deel II, blz. 305). Van die wettelijke bevoegdheid heeft het hof gebruik gemaakt.

40

Onderdeel 3 strekt ten betoge dat art. 10 lid 1 WVW te dezen toepassing mist vanwege — samengevat — het ontbreken van boze bedoelingen bij verzoeker.

41

Deze klacht stuit af op hetgeen hierboven onder 17 ev is betoogd.

42

Slotsom is dat het middel in geen van zijn onderdelen doel treft.

43

Gronden waarop Uw Raad gebruik zou behoren te maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

44

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.