Uw provider weet wat goed voor u is

Mogen telecomaanbieders voorrang geven aan bepaalde verkeersstromen op internet, of sommige diensten zelfs helemaal blokkeren? Wie nog wel eens een filmpje downloadt of wil internetbellen op de mobiele telefoon, mag hopen dat het antwoord nee is.

Het ministerie van Economische Zaken is bezig met de implementatie van een nieuw set Europese regels voor de telecomsector, waarin ook deze kwestie van ‘netneutraliteit’ zijdelings aan de orde komt. Het onderwerp is voor internetgebruikers van belang, omdat er allerlei redenen zijn waarom providers bepaalde verkeersstromen zouden willen versnellen, vertragen of blokkeren.

Mobiele aanbieders kunnen hebben bijvoorbeeld een belang hebben om internettelefonie via mobiele dataverbindingen te blokkeren. Het vreet bandbreedte – die vaak voor een vast maandbedrag wordt verkocht – en gaat ten koste van ‘gewone’ belminunten.  Triple-play aanbieders zoals UPC hebben mogelijk belang om tv-diensten op internet te blokkeren of vertragen: die gaan ten koste van eigen digitale televisiediensten.

Andere providers willen misschien wel exclusieve afspraken maken met een bepaalde game-producent, als onderdeel waarvan concurrerende online games worden vertraagd. En alle providers staan onder druk van de muziek- en filmindustrie om protocollen en diensten te blokkeren of vertragen die veel worden gebruikt voor bestandsuitwisseling. Continue reading “Uw provider weet wat goed voor u is”

Gluurders moeten met rust gelaten worden

Als het minister Hirsch Ballin ligt, hoeft de AIVD binnenkort mensen niet meer te informeren nadat zij door de veiligheidsdienst zijn afgeluisterd. Het is een gevaarlijk betoog waar we niet in moeten trappen.

De AIVD mag telefoons afluisteren, brieven openen en afluisterapparatuur in woningen plaatsen. Daarvoor geldt wel de notificatieplicht, die inhoudt dat de AIVD als het even kan vijf jaar na afloop van zo’n operatie aan de betrokkene verslag moet uitbrengen. Die wettelijke verplichting is een belangrijke waarborg voor de burgerrechten. Alleen door de bespioneerde burger achteraf te informeren weet hij dat zijn recht op vertrouwelijke communicatie of de onschendbaarheid van zijn woning is geschonden. De notificatie achteraf stelt de burger in staat te laten toetsen of die inbreuk op zijn rechten terecht was. De notificatieplicht is daarmee een belangrijke rem op ongebreidelde spionagelust van de overheid. Continue reading “Gluurders moeten met rust gelaten worden”

Stemmen voor vrijheid

Na recente teleurstellingen over de zwakke rol van het Nederlandse parlement toonde de collega’s van het Europees Parlement deze week hoe het wel moet, door op de barricades te klimmen voor de rechten van Europese internetgebruikers. Of laten zij zich uiteindelijk ook inpakken?

Het Europees Parlement stemde op 10 maart vrijwel unaniem in met een uiterst kritische resolutie over het ACTA-verdrag, waar ik eerder op deze plek over schreef. Dit internationale handelsverdrag wordt momenteel in het diepste geheim uitonderhandeld, maar lijkt blijkens diverse lekken vergaande maatregelen te bevatten over het filteren en afsluiten van internetgebruikers, douane-inspecties van laptops van willekeurige reizigers en nog zo wat onvrijheden. Continue reading “Stemmen voor vrijheid”

Naïef opportunisme

Vorige zomer maakte CDA-senator Hans Franken zich in opsporingskringen onsterfelijk door de Wet bewaarplicht telecommunicatiegegevens, die hij jarenlang met kracht van argumenten had bestreden, alsnog te omhelzen. De politieke deal die Franken sloot, staat nu op losse schroeven.

De ommekeer van de CDA-fractie zorgde er voor dat er in de Eerste Kamer alsnog een meerderheid was voor verplichte opslag van telecomgegevens voor opsporingsdoeleinden. Ook Franken’s verklaring voor zijn opmerkelijke koerswijziging is meteen beroemd geworden:

“We moeten hier vandaag een politieke beslissing nemen en dan kiest mijn fractie – onder een aantal hieronder te noemen voorwaarden – voor een standpunt, waarin politieke opportuniteit zwaarder weegt dan wetenschappelijke rationaliteit.” Continue reading “Naïef opportunisme”

Voetballers in ondergoed

John Terry heeft de aanvoerdersband van de Engelse nationale voetbalploeg moeten inleveren vanwege een buitenechtelijke relatie met een ondergoedmodel en een mislukte poging ieder mediabericht daarover te verbieden. Dat hadden we in Nederland heel anders aangepakt.

NU.nl’s sportcolumnist Thijs Zonneveld schreef vorige week al over het enige aspect van de affaire dat mogelijk enige nieuwswaarde heeft. Terry was namelijk niet zo maar vreemdgegaan: deze Vanessa Perroncel is nota bene de ex-vriendin van Terry’s internationale ploegmaat en (voormalige) goede vriend Wayne Bridge. Perroncel en Bridge hebben samen een kind.

Volgens Britse commentaren zou Terry’s verraad funest zijn voor de harmonie in de kleedkamer, en dus voor de Engelse kansen op het WK. De pers als waakhond van de democratische samenleving moest daar wel over berichten. Voor het overige lijkt er niets aan het verhaal over een vreemdgaande profvoetballer dat perspublicaties – en de daarmee gepaard gaande schending van de privacy van betrokkenen, hun (ex-)partners en kinderen – rechtvaardigt.

Ik zegt “lijkt”, want er zijn belangrijke verschillen tussen Engeland en Nederland als het gaat om intieme mediaonthullingen over beroemdheden. Continue reading “Voetballers in ondergoed”

Het land waar niemand niemand mag zijn

Vandaag was de slotdag van het beveiligingscongres van SURFNet, de organisatie die alle hoger onderwijs instellingen van supersnel internet voorziet. Ik mocht een korte inleiding geven voor het debat over Privacy vs Handhaving, dat vervolgens werd gevoerd door Sybrand van Haersma Buma (Tweede Kamer, CDA), Fred Teeven (Tweede Kamer, VVD), Sophie in ‘t Veld (Europees Parlement, D66) en Inez Weski (Weski Heinrici advocaten).

De standpunten in het debat waren geheel voorspelbaar: de heren zijn van de stroming “veiligheid voor privacy”, de dames meer van de beweging “mag het ook een onsje minder”. Laatstgenoemd standpunt is in wezen genuanceerder omdat het accepteert dat in sommige gevallen privacybeperkende maatregelen wel degelijk nodig zijn. Dat Van Haersma Buma er toch in slaagde om optisch het meest redelijk over te komen, kwam vooral door zijn geestige en innemende debatteerstijl: wat hij feitelijk zegt is namelijk net zo bot als het standpunt van Teeven.

Een ongenuanceerd afluisterdebat

Inmiddels is het verslag van het algemeen overleg over de aftapstatistieken in de Tweede Kamer van 26 november 2009 gepubliceerd. Ik schreef daar eerder over.

Boeiend is wederom de zalvende woorden die VVD’er Fred Teeven spreekt over de toepassing van aftapbevoegdheden door justitie: per geval hebben politiemensen, de officier van justitie en de rechter-commissaris daar goed naar gekeken, dus met de effectiviteit zit het wel snor. Als ex-officier van justie heeft Teeven natuurlijk bij uitstek relevante ervaring, maar in dit soort debatten denkt en praat hij nog steeds als een officier van jusititie die zich verdedigt tegen lastige, in zijn ogen ongetwijfeld domme kamerleden. In zijn nieuwe hoedanigheid als volksvertegenwoordiger moet Teeven juist zelf lastige vragen stellen aan de overheid, de luis in de pels zijn die met ogenschijnlijke domheid serieuze zaken bloot legt. Continue reading “Een ongenuanceerd afluisterdebat”

Stiekem is de PVV doornormaal

Psssst, niet verder vertellen. De PVV is helemaal niet bijzonder, anders of vernieuwend. Ze zijn net als alle andere politieke partijen: ambitieus, geobsedeerd met media-aandacht en een tikkeltje amateuristisch.

Deze week publiceerde HP/De Tijd de eerste aflevering van het dagboek van beginnend journaliste Karen Geurtsen, die vier maanden undercover werkte als stagiair bij de PVV.Ze is in één klap beroemd, maar over de toelaatbaarheid van de actie wordt verschillend gedacht. “Nieuw dieptepunt voor linkse media. Smerig!”, twitterde Geert Wilders. Ook NRC Handelsblad veroordeelde de actie in een hoofdredactioneel commentaar.

Mag je als journalist liegen of veinzen om aan nieuws te komen? Continue reading “Stiekem is de PVV doornormaal”

Het valse veiligheidsdilemma – opinie

Op 3 november 2009 publiceerde het kabinet zijn standpunt over het advies van de Commissie Brouwer-Korf over veiligheid en privacy, en de evaluatie van de Wet bescherming persoonsgegevens. De kop boven het begeleidende persbericht belooft ‘Meer privacy voor burgers’, maar dat dekt niet de lading van de brief. In werkelijkheid gaat de overheid meer gegevens opslaan en uitwisselen. De brief markeert zelfs een fundamentele stap in het denken over veiligheid en burgerrechten. Zij moeten niet meer in concrete gevallen tegen elkaar worden afgewogen; vanaf nu gaat veiligheid voor. Het is een even onjuiste als onnodige keuze.

Dat burgers ‘erop mogen rekenen’ dat overheidsinstanties waar nodig informatie delen, klinkt plausibel, haast evident. Niemand wil dat boeven vrijuit gaan omdat ‘de instanties’ even niet communiceerden. Toch is wezenlijk verschil van inzicht mogelijk over wanneer het vanuit veiligheidsoogpunt noodzakelijk is dat overheidsorganisaties persoonsgegevens uitwisselen, alsmede over de verdere details van die uitwisseling. Wiens en welke gegevens worden uitgewisseld? Wie kan er allemaal bij? Hoe worden de gegevens geverifieerd en beveiligd? Worden de gegevens vernietigd als verder gebruik niet meer noodzakelijk is voor de veiligheid?

Natuurlijk willen we niet dat een zelfmoordcel niet kan worden afgetapt omdat dat privacyinbreuk zou zijn. Uit het artikel van Dorien Verhulst in dit nummer van Mediaforum blijkt dat de Staat op dat punt voldoende bevoegdheden heeft. Evenmin zouden we het aanvaardbaar vinden als een zedenrechercheur een cd-rom met de medische behandelgegevens van alle bekende pedoseksuelen in de trein zou laten liggen. Maar dat men het roerend met elkaar eens kan zijn over makkelijke gevallen, betekent niet dat vooruitgang is geboekt in de discussie over de moeilijke gevallen. In de kabinetsreactie worden over dit soort vragen wel verstandige dingen gezegd, maar door de principiële keuze voor veiligheid boven privacy is het belang daarvan beperkt.

Wellicht onbedoeld biedt de kabinetsreactie een treffende illustratie van het probleem. Het kabinet beoogt een forse uitbreiding van het gebruik van automatische nummerbordherkenning (ANPR), ‘waarbij camera’s op de openbare weg de kentekens van auto’s registreren en deze automatisch vergelijken met bestanden van bijv. openstaande boetes of belastingen. Samenwerking tussen politie en andere overheidsdiensten bij ANPR verloopt aldus veel efficiënter en levert veel meer geld op.’ Ik kan mij voorstellen dat er gevallen zijn waarin automatische nummerbordherkenning een belangrijke bijdrage levert aan het opsporen of voorkomen van een ernstig misdrijf. Als je regels stelt om ervoor te zorgen dat ANPR alleen daarvoor gebruikt kan worden, is er niets aan de hand. Het voorbeeld gaat echter over stelselmatige registratie en opslag van informatie over alle voertuigbewegingen.

ANPR is vast een ‘efficiëntere’ manier om wanbetalers te achterhalen. Maar moet de privacy van alle weggebruikers worden geofferd voor efficiencywinst? Het opsporen van mensen met achterstallige boetes of belastingen is in elk geval niet het eerste waar ik aan denk bij ‘de bescherming van veiligheid’. Het feit dat iemand zijn parkeerboete niet heeft betaald, zie ik niet als een geval waarin ‘de veiligheid van individuen concreet bedreigd wordt’, zoals de kabinetsreactie het formuleert. Laat staan dat registratie en opslag van iedere voertuigbeweging voor het wegnemen van die bedreiging noodzakelijk is, in die zin dat het zonder nummerbordherkenning onmogelijk is achterstallige belastingen of boetes te innen. Laat het kabinet dan zeggen wat het kennelijk bedoelt: als privacyregels opsporing op enige manier belemmeren, moeten privacyregels wijken. Als er een opsporingsbevoegdheid denkbaar is die wij nog niet hebben, geef ons die dan. Weg met anoniem prepaid bellen, hier met die meldplicht buitenlandse reisvoornemens, lang leve de bewaarplicht internetverkeer.

De rest van het kabinetsstandpunt is doordrongen van dezelfde instinctieve keuze: ‘veiligheid’ (wat dat ook betekent) vóór ‘privacy’ (in al zijn verschijningsvormen). Dat wil echter niet zeggen dat er verder geen nuttige voorstellen in staan. Meer aandacht voor beveiliging van overheidsdatabases is absoluut noodzakelijk, zeker nu de acute informatieverzamelzucht van de overheid leidt tot steeds meer databases met gevoelige informatie zoals vingerafdrukken, telecomverkeersgegevens, OV-reisgegevens en medische gegevens. Er staat wel meer verstandigs in de kabinetsreactie, vooral over gegevensverwerking door bedrijven. Maar zodra we het ‘veiligheidsdomein’ betreden is de burger zijn zelfbeschikkingsrecht kwijt. Het is duidelijk niet de bedoeling dat de opsporing op enige manier zal worden gehinderd door de aangescherpte privacywaarborgen.

Het kabinet en veiligheidsmensen presenteren het dilemma van privacy versus veiligheid graag als een vals dilemma: veiligheid is een essentieel deel van de persoonlijke levenssfeer, dus schending van veiligheid is ook een vorm van privacyschending. Dat is waar, maar niet erg behulpzaam en geen vrijbrief om dan veiligheidsbescherming categorisch boven privacybescherming te stellen. Je kunt het bovendien net zo goed andersom stellen: daadwerkelijke bescherming tegen ongebreidelde, onzorgvuldige uitwisseling en opslag van persoonsgegevens is een essentieel deel van – en voorwaarde voor – persoonlijke veiligheid.

De keuze tussen veiligheid en privacy is inderdaad een vals dilemma, maar niet omdat privacy eigenlijk een vorm van veiligheid is en je dus altijd voor veiligheid moet kiezen. Het is een vals dilemma omdat het kabinet die keuze tussen bescherming van veiligheid en bescherming van persoonlijke levenssfeer niet in zijn algemeenheid kan, mag en hoeft te maken. De moeilijke, maar enige werkbare aanpak is om per concreet geval een afweging te maken. Als een beleidsvoorstel met negatieve implicaties voor de privacy wordt gerechtvaardigd met een beroep op veiligheid, moet het privacyverlies worden afgewogen tegen de haalbare veiligheidswinst. Uiteraard moeten alle praktische waarborgen worden getroffen om te voorkomen dat meer privacy wordt verloren dan strikt noodzakelijk. Als de realistisch haalbare veiligheidswinst niet opweegt tegen de aan het voorstel inherente privacyschending, moet het kabinet nee durven verkopen aan opsporingsinstanties – en aan burgers uitleggen dat in vrije landen de overheid geen absolute veiligheidsgaranties kan geven.

Dit opiniestuk is oorspronkelijk gepubliceerd in Mediaforum 2010-1.